N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Overeenkomsten en verschillen tussen Irak 2003 en Iran 2026
De reactie van de Nederlandse regering op de aanval van de Verenigde Staten en Israël op Iran heeft geleid tot hernieuwde aandacht voor het rapport van de Commissie-Davids.1) Deze Commissie heeft onderzoek gedaan naar de besluitvorming van het kabinet-Balkenende II om politieke steun te geven aan de inval in Irak door een coalitie onder leiding van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Het rapport is weer actueel omdat er in de discussies en reacties opvallende parallellen zijn. Die parallellen kunnen onder de volgende noemers worden samengevat:
-
-Atlantische reflex;
-
-regime change;
-
-internationaalrechtelijke legitimatie;
-
-politieke en/of militaire steun.
Atlantische reflex
Irak
De vaststelling dat de Nederlandse reactie op de inval in Irak (2003) sterk gestuurd is door een Atlantische reflex, is in het rapport als volgt onderbouwd. In de aanloop naar de Irak-oorlog was de EU (toen nog met het VK) sterk verdeeld. Premier Blair trok samen op met president Bush in de ‘coalition of the willing’, terwijl vooral Frankrijk en Duitsland (beide op dat moment lid van de Veiligheidsraad) sterk gekant waren tegen een inval in Irak. Er is wel sprake geweest van Europees overleg over deze kwestie, maar dat beperkte zich in feite tot het uitwisselen van standpunten. Met name de Britse en de Franse regeringen hadden zich diep ingegraven. De Commissie achtte het in die omstandigheden begrijpelijk dat de Nederlandse regering terugviel op die andere as van het buitenlandse beleid, namelijk de Atlantische verbondenheid. In haar keuze voor die Atlantische verbondenheid is de regering erg ver gegaan, bijvoorbeeld door in Kamerdebatten onvoorwaardelijk achter de interventie van de Amerikaanse minister Colin Powell in de Veiligheidsraad te gaan staan. Later heeft Powell zijn spijt betuigd over deze op onjuiste informatie gebaseerde presentatie. Ook speelde mee dat de beide meest betrokken ministers, Jaap de Hoop Scheffer en Henk Kamp, zeer Atlantisch georiënteerd waren. Het leidt de Commissie tot de conclusie dat tijdens de onderzochte periode de Atlantische reflex prevaleerde boven enigerlei op Europa gerichte houding.2)
Iran
De term Atlantische reflex komt weer op nu de Nederlandse regering geen veroordeling uitspreekt van de Amerikaanse en Israëlische aanval op Iran. Het blijft bij oproepen tot terughoudendheid en de-escalatie. Ook nu weer is er geen sprake van een eensluidende Europese reactie, al zijn de tegenstellingen niet zo scherp als ten tijde van de Irak-oorlog. De meeste Europese landen reageren op een vergelijkbare wijze als Nederland. Alleen de Spaanse premier Pedro Sánchez heeft de aanval scherp veroordeeld. Toch mag het opvallend heten dat de Atlantische reflex blijkbaar ook nog functioneert in een tijd dat de relatie met de Verenigde Staten sterk onder druk staat ten gevolge van de Trumpiaanse politiek. Wellicht komt het voort uit de wens de verhoudingen niet verder te verslechteren. Behalve de Atlantische reflex is er nu eigenlijk ook sprake van een Israëlische reflex, ook bij het nieuwe kabinet. Er is veel gesproken over de terughoudendheid van Nederland om het optreden van Israël in Gaza te veroordelen. In het verlengde daarvan is er nu een vergelijkbare terughoudende reactie op de aanval op Iran en de daaraan gelieerde luchtaanvallen op Libanon.
Regime change
Irak
De Commissie-Davids stelt dat regime change in Irak zeker sinds de aanslagen van 11 september 2001 het doel was van de Amerikaanse regering. Met name in neoconservatieve kring beschouwde men de verjaging van Saddam Hoessein en diens clan als belangrijkste doelstelling van de militaire operatie tegen Irak, ook al was officieel de ontmanteling van massavernietigingswapen als hoofddoel geformuleerd. Toen de militaire actie werd aangekondigd, kreeg Saddam Hoessein nog kort de gelegenheid zich uit Irak te verwijderen om de aanval af te wenden. Het ging dus ontegenzeglijk om de regime change die uiteindelijk ook is gerealiseerd. De Nederlandse regering heeft regime change nooit als doelstelling van eventuele acties tegen Irak geaccepteerd. Het mogelijke argument tegen regeringswisseling als doelstelling van militaire actie was waarschijnlijk de precedentwerking die ervan zou kunnen uitgaan. Ministers en ambtenaren waren zich er evenwel duidelijk van bewust dat verandering van regime het vrijwel zekere gevolg zou zijn van de Amerikaans-Britse actie. In zoverre is er – aldus de Commissie – een zekere hypocrisie geweest in het gehanteerde taalgebruik.3)
Iran
Parallel met Irak is dat de aanval op Iran ook een regime betreft dat zowel beticht wordt van het ontwikkelen van massavernietigingswapens als van het veelvuldig schenden van de mensenrechten. Misschien meer nog dan bij Irak lijken er bij zowel voor- als tegenstanders van ingrijpen in Iran weinig mensen te vinden te zijn die rouwig zouden zijn bij het verdwijnen van het huidige regime. "Het bewind in Iran is een moorddadig regime met grote risico's voor de regio", zo zei minister Tom Berendsen daags na de aanval.4) Toch lijken anders dan bij Irak de aanvallende partijen nu niet direct uit op regime change. In militaire kringen is de algemene opinie dat zonder troepen op de grond een regime change niet realiseerbaar is. En het lijkt wel duidelijk dat de VS geen grondtroepen zal sturen. Trump roept de Iraniërs op zelf in opstand te komen nadat het regime door luchtaanvallensterk verzwakt zal zijn. Ook Israël lijkt vooral uit op de definitieve militaire verzwakking van het regime.
Internationaalrechtelijke legitimatie
Irak
In de aanloop naar de inval in Irak stonden de juridische directies van zowel Buitenlandse Zaken als Defensie op het standpunt dat voor militair optreden een uitdrukkelijke machtiging van de Veiligheidsraad was vereist. Krijgsverrichtingen zonder zo’n machtiging zouden volkenrechtelijk gezien onrechtmatig zijn. De Commissie-Davids tekent hierbij aan dat dit argument nauwelijks een rol heeft gespeeld bij de keuze voor het regeringsstandpunt. De belangrijkste adviseur van de minister van Buitenlandse Zaken, de Directeur-Generaal Politieke Zaken, oordeelde dat de opvatting van de juridische directie slechts academische betekenis kon hebben. Deze bijna totale verdwijning van de juridische bezwaren tegen eenzijdig optreden kan nauwelijks worden gezien als een compliment voor het Nederlandse besluitvormingsproces in de wat cynisch geformuleerde conclusie van de Commissie. In een Kamerdebat van 18 maart 2003 – na het begin van de oorlog – keerde de juridische argumentatie terug door het beroep dat de minister-president deed op het ‘corpus’-argument: de samenhang van alle ‘Irakresoluties’ van de Veiligheidsraad. Hij vermeldde daarbij dat de Britse Attorney General, de juridisch adviseur van de regering, aan dat argument veel betekenis had toegekend in een advies aan Blair. Het inroepen, door de regering, van het in juridische kring zeer betwiste ‘corpus’-argument kan evenwel volgens de Commissie het gebrek aan debat over de noodzaak van een uitdrukkelijke machtiging tot geweldgebruik niet goedmaken.5)
Iran
Hoe betwistbaar ook de uitkomst was, in 2002-2003 is het internationaalrechtelijk debat in ieder geval nog intensief gevoerd. En mede op basis van het rapport van de Commissie-Davids werd onder meer besloten tot de benoeming van een onafhankelijke volkenrechtelijk adviseur. Ook werd een volkenrechtelijk mandaat een noodzakelijke voorwaarde bij besluitvorming over de inzet van de krijgsmacht.
Hoe anders is het nu. Zeker sinds het begin van Trumps nieuwe ambtstermijn lijken het internationaal recht en de Verenigde Naties snel aan betekenis in te boeten. Israël en de Verenigde Staten zijn Iran binnengevallen zonder enig voorafgaand debat in de Veiligheidsraad. Een spoedzitting na de inval bereikte niet meer dan een uitwisseling van standpunten en een wat machteloze oproep van VN-secretaris-generaal Guterres om verdere escalatie te voorkomen.6)
Toch is het internationaal recht zeker niet helemaal uit beeld verdwenen. Zo worden vanuit de universitaire wereld volop goed beargumenteerde pleidooien gehouden om vast te houden aan de internationaalrechtelijke afspraken en aan de rol van organisaties als de VN en de Veiligheidsraad. Ook het nee tegen de oorlog en het ja tegen internationaal recht van de Spaanse premier Sanchez vindt brede weerklank. En zelfs politici die begrip tonen voor het optreden van de Verenigde Staten en Israël realiseren zich dat ze toch ook iets over het internationaal recht moeten zeggen. Zo zegt minister Berendsen in antwoord op de vraag van een journalist of de inval in strijd is met het internationaal recht: "Dat is niet aan mij om te beoordelen. Dat zijn terechte vragen aan de VS en Israël. Dit kabinet vindt het internationaal recht belangrijk. Tegelijkertijd wil ik ook eerlijk zijn dat het internationaal recht niet het enige kader is dat je op deze situatie kunt leggen”.7) Welk ander kader bleef onbenoemd.
Politieke en/of militaire steun
Irak
Na een uitvoerig debat (17 en 18 maart 2003) kwam de ministerraad tot het besluit om de Amerikaanse en Britse inval in Irak politiek te steunen, maar daaraan geen actieve militaire bijdrage te leveren. Gegeven de inhoudelijke posities die het kabinet-Balkenende vanaf de zomer van 2002 had ingenomen, was de Commissie niet verrast door deze uitkomst. Tal van signalen wezen onmiskenbaar vooruit op het besluit om politieke steun te geven aan de Alleingang van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Dat dit standpunt voor de hand bleek te liggen, betekent niet dat het een helder standpunt was. Zo is het opmerkelijk dat de woorden ‘politieke steun’ niet voorkomen in de brief over het kabinetsstandpunt aan de Tweede Kamer. Deze terminologie keert vervolgens wel terug in de verklaring van de premier voor het parlement op 18 maart. Dat leidde tot een nogal theoretisch debat over de betekenis van het begrip ‘politieke steun’: is het steun voor het besluit om een oorlog te beginnen, of betekent het dat Nederland – gegeven de realiteit van een oorlog – partij kiest voor Bush en Blair?
Daarna kwam de vraag of en hoe de politieke steun een vertaling zou moeten krijgen in militaire steun. De Commissie-Davids heeft uitvoerig beschreven welke verzoeken aan de Nederlandse regering zijn voorgelegd en hoe hierop is gereageerd. Over die verzoeken bestond de nodige verwarring en er waren interpretatieverschillen, ook op regeringsniveau. Maar al met al is het de Commissie duidelijk geworden dat geen enkele Nederlandse militair of militaire eenheid voor of ten tijde van de invasie heeft meegedaan aan militaire acties in, rond of boven Irak. Wel zijn met steun van een ruime meerderheid van de Tweede Kamer Patriots ter beschikking gesteld voor ‘Host Nation Support’. Deze steun kwam er vooral omdat de regering de verzoeken plaatste in het kader van steun aan NAVO-bondgenoten.8)
Iran
In het debat over de inval in Iran is geen expliciete politieke steun uitgesproken door de Nederlandse regering, zij het dat daarover enige verwarring ontstond door niet altijd met elkaar overeenstemmende uitlatingen van verschillende ministers.9) De lijn die gekozen is gaat uit van begrip voor het optreden van Israël en de Verenigde Staten tegen het moorddadig regime in Iran.
In een statement roept minister Berendsen op 28 februari (de dag van de inval) Iran op aanvallen op de Golfstaten te stoppen. Een vergelijkbaar verzoek doet hij niet aan Israël en de Verenigde Staten. Nederland roept wel op om terughoudendheid te betrachten en opnieuw de weg in te slaan naar politieke onderhandelingen en om verdere escalatie te voorkomen.10)
Het feit dat er geen formele politieke steun is, impliceert dat er ook geen militaire steun wordt geboden. Wel overweegt de regering om het fregat Zr. Ms. Evertsen ter begeleiding van het Franse vliegdekschip De Gaulle naar het oosten van de Middellandse zee te sturen ter bescherming tegen mogelijke aanvallen van Iran op EU- of NAVO-doelen.
Parallellen en verschillen
‘De geschiedenis herhaalt zich niet, maar rijmt wel’ is een bekend citaat van Mark Twain. Het gaat ook op als we de Irak-oorlog van 2003 vergelijken met de inval nu in Iran. Daarbij valt op dat de huidige politici – die zich als een nieuwe generatie presenteren – uiteindelijk tamelijk vergelijkbare afwegingen maken.
De Atlantische reflex van destijds is ook nu nog aanwijsbaar, zij het dat die reflex nu wellicht vooral voorkomt uit zorg om de zo van ons vervreemde bondgenoot niet te bruuskeren.
De regime change in Irak werd ook in Nederland door weinigen betreurd. Wel bleek dat het verdwijnen van Saddam Hoessein niet automatisch tot een democratisch bewind heeft geleid. Integendeel, Irak kende vele jaren van gewelddadige politieke chaos. Nu is het zeer de vraag of het in Iran tot regime change zal komen, en zo ja of het dan anders zal gaan dan in Irak, temeer omdat Trump allesbehalve duidelijk is over zijn doelstellingen met de inval in Iran.
Internationaalrechtelijke overwegingen spelen nu veel minder een rol in het politieke debat dan tijdens de inval in Irak. Dat is zorgelijk en reden om te bezinnen op acties om het internationaal recht weer meer relevant te maken dan het ‘recht’ van de sterkste.
Expliciete politieke steun vanuit Nederland was er in 2003 wel voor de inval in Irak. Nu ontbreekt die steun. Het zal voor de politieke opstelling van Nederland niet veel uitmaken, omdat het nu uitgesproken begrip in de praktijk vrijwel op hetzelfde neerkomt.
Dr. Koos van der Bruggen is politicoloog en ethicus. Hij was onder meer secretaris van de Commissie-Davids.
-
1)Rapport Commissie van Onderzoek Irak, Amsterdam 2010;
B_BOOM040 Onderzoeksrapport Irak.indd;
-
2)Rapport Commissie van Onderzoek Irak, p.118-119
-
3)Rapport Commissie van Onderzoek Irak, p. 119
-
5)Rapport Commissie van Onderzoek Irak, p. 119-120
-
8)Rapport Commissie van Onderzoek Irak, p. 121-123