Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Een traditie van periodiek zelfonderzoek

De werkgroep herziening Reglement van Orde en de geschiedenis van regels en rituelen na 1945.

‘Een historische werkgroep’, zo noemde Kamervoorzitter Khadija Arib de op 13 maart jongstleden geïnstalleerde parlementaire commissie die het Reglement van Orde van de Tweede Kamer gaat herzien. Het proefschrift Macht der gewoonte. Regels en rituelen in de Tweede Kamer na 1945 dat ik deze week mag verdedigen aan de Radboud Universiteit onderschrijft Aribs constatering. Gedeeltelijk althans: de werkgroep, onder voorzitterschap van SGP-Kamerlid Kees van der Staaij, past in een relatief jonge traditie van parlementaire zelfevaluaties.

De RSV-enquête

De eerste keer dat de Kamermeerderheid zich liet winnen voor een grondig zelfonderzoek was na de vernietigende conclusies van de eerdergenoemde RSV-enquête in 1983-1984. Enigszins onbedoeld fungeerde de enquêtecommissie tegelijk als platform voor en als aanjager van een bezinning op het proces van parlementaire controle en besluitvorming. Na ommekomst van het enquêterapport riep de Kamer in 1985 alsnog een tijdelijke werkgroep in het leven, onder leiding van de Kamervoorzitter en bestaande uit zowel de commissie voor de Werkwijze als een delegatie uit de commissie voor de Rijksuitgaven. Deze gemengde commissie ‘Onderzoek Organisatie en Werkwijze’ (OOW; beter bekend als de commissie-Dolman) moest nagaan hoe de taakopvatting en werkwijze van de Kamer konden worden verbeterd. Falende controle, zoals in de RSV-affaire was blootgelegd, moest in de toekomst worden vermeden.

Een permanente staat van zelfevaluatie

Vanaf dit moment belandde de Tweede Kamer in een welhaast permanente staat van zelfevaluatie. Sinds de RSV-enquête lijkt de neiging tot reflectie op het eigen (on)vermogen op zichzelf een parlementaire traditie te zijn geworden. In toenemende mate is het daarbij gaan draaien om de verhouding tussen een professionele – efficiënte – uitvoering van de ambachtelijke taken van de Kamer en het invulling geven aan het democratische mandaat van de kiezer. Hoe de Kamer haar werk organiseerde, kwam in het licht te staan van de vraag waar de Tweede Kamer als volksvertegenwoordiging voor stond. In elk volgend rapport uitte de Kamer meer zorgen over de vraag of burgers zich wel voldoende herkenden in haar werk/(veronderstelde) ontevredenheid van burgers over het functioneren van het parlement. Steeds keerden in hoofdlijnen dezelfde probleemanalyses en dezelfde oplossingen terug. Die vaststelling heeft iets ontmoedigends: wat is de zin van al die evaluaties als men er toch niet van kan of wil leren? Waarom al die commissies en Kamerleden die onkruid proberen te wieden in de tuin van de parlementaire democratie, als wat gezaaid wordt toch niet zal groeien?

Reflectie als therapie

Onbedoeld gaf het rapport Vertrouwen en zelfvertrouwen, het resultaat van de zelfevaluatie waaraan de Tweede Kamer zich tussen 2007 en 2009 onderwierp, een aardig antwoord op die vraag. Kamervoorzitter Verbeet, tevens voorzitter van de stuurgroep die het proces had geleid, eindigde haar voorwoord bij het rapport met een gedicht van Adriaan Roland Holst:

‘Ik zal de halmen niet meer zien

noch binden ooit de volle schoven

maar die mij in de oogst geloven

waarvoor ik dien.’

In de reflectie zelf was de winst gelegen, leek Verbeet te willen zeggen, meer nog dan in de aanbevelingen en verbetervoorstellen. Die concrete opbrengst zou, in vergelijking met eerdere onderzoeken, niet ten onrechte van verschillende kanten als mager worden gekwalificeerd.

Deze parlementaire reflectie leek dan ook meer een vorm van therapie te zijn geweest dan een systematische aanzet tot verandering van de werkwijze. In een nieuwe periode van verscherpte tegenstellingen en verharding van de politieke strijd moest een sterk verjongde Tweede Kamer opnieuw uitvinden waar zij als instituut voor stond. Alleen door de confrontatie aan te gaan met de eigen mores en werkwijze, met de eigen onhebbelijkheden, kon een gevoel van gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van de Tweede Kamer gecreëerd worden, en draagvlak ontstaan voor verandering.

Realisme: meer vragen dan oplossingen

Dat is misschien ook wel de belangrijkste les die in de ruim vijfentwintig jaar zelfreflectie is geleerd. De commissie-Dolman was midden jaren tachtig wat dit betreft al realistisch geweest: een door uiteenlopende politieke belangen en politiek gewenste uitkomsten gedreven orgaan als de Tweede Kamer was naar zijn aard niet in staat om tot eensluidende, fundamentele keuzes te komen ten aanzien van het eigen functioneren. Ook de commissie-Deetman die zich begin jaren negentig boog over een honderdtal ‘vraagpunten’ van staatsrechtelijke en bestuurlijke vernieuwing, gaf hier met de door haar gekozen aanpak in feite rekenschap van: de Tweede Kamer formuleerde de vragen, niet de oplossingen.

Wél is de Tweede Kamer in staat gebleken om in de dagelijkse praktijk, werkende weg, ruimte te geven aan geleidelijke ontwikkelingen in het denken, doen en laten van de politiek. De pragmatische, realistische maar ook enigszins reactieve opstelling van het presidium en de commissie voor de Werkwijze in discussies over het functioneren van de Kamer sloten hier uitstekend bij aan. Bij gebrek aan overeenstemming over stelselveranderingen gaf de Tweede Kamer met kleinere procedurele wijzigingen en nieuwe werkvormen steeds weer opnieuw een invulling aan verschuivende wensen en maatschappelijke belangen.

In wezen ligt in elke reflectie op het parlementaire functioneren, groot of klein, voorstellingen besloten van wat de Tweede Kamer idealiter zou moeten zijn, van de normen en waarden die ze zou moeten naleven en de manier waarop dit tot uiting behoort te komen in concreet handelen.

 

Carla Hoetink is docent politieke geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Op dinsdag 27 maart aanstaande hoopt zij aan deze universiteit op het proefschrift Macht der gewoonte te promoveren. De dissertatie kunt u volgen via een livestream op de website van het Montesquieu Instituut.

Meer informatie

Een publiekseditie van dit boek verschijnt in de eerste week van september bij Uitgeverij Vantilt

1.

Deze bijdrage stond in