Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Premier tegen wil en dank

maandag 31 mei 2021, 13:00, analyse van Bert van den Braak

Voortzetting van het premierschap van Mark Rutte staat nog niet vast. Sommige partijen sluiten hem uit als minister-president en andere aarzelen daarover.

Dat een partij zelf over haar ‘personeelsbeleid’ gaat, leek regel te zijn geworden, maar of dat zo is, moet blijken. In het verleden was het zeker niet altijd zo, al speelden soms vooral bezwaren in eigen kring een grote rol.

Een historisch overzicht van ‘ongewenste premiers’ uit het verleden.

Abraham Kuyper, 1907

Na de nederlaag van de rechtse coalitie (ARP en RK) in 1905 verdween Abraham Kuyper, die sinds 1901 premier was, enige tijd van het politieke front. In 1907 werd hij echter opnieuw voorzitter van de ARP, in de verwachting terug te kunnen keren als minister en minister-president.

Toen in december 1907 het liberale kabinet-De Meester viel, bleek echter direct dat noch zijn partijgenoten, noch de katholieken en evenmin - niet onbelangrijk - koningin Wilhelmina - op zijn terugkeer zaten te wachten.

ARP-fractievoorzitter Theo Heemskerk kreeg de formatieopdracht, maar hij ging pas aan de slag, nadat eerst (na twee weken) Kuyper 'gesensibiliseerd' was. Kuyper vond een christelijke partij onder leiding van Heemskerk geen goed idee. Hij wilde liever een liberaal of gemengd 'zakenkabinet', zodat hij na de verkiezingen 1909 zou kunnen terugkeren (hij wilde minister van Onderwijs en premier worden). Zijn verzet - hij was ook eindredacteur van dagblad De Standaard - zou een nieuw rechts kabinet bijna onmogelijk maken.

Heemskerk, noch de andere rechtse leiders legden zich daarbij neer. De koningin deelde hem ook nog eens in een persoonlijk onderhoud mee dat zij in 1909 haar handen vrij wilden houden in de formatie. Kuyper trok onder die druk schoorvoetend zijn verlangens in en verzette zich niet langer tegen de komst van een kabinet-Heemskerk. In november 1908 keerde hij wel terug in de Tweede Kamer.

Toen rechts in 1909 de verkiezingen won, besloten de leiders van ARP en RK dat het kabinet-Heemskerk geen ontslag zou aanbieden. Er kwam dus geen formatie en Kuyper kreeg geen kans om opnieuw premier te worden.

Theo Heemskerk, 1918

In 1918 was het juist Heemskerk, die als kandidaat-premier werd afgewezen. Mgr. Nolens, de leider van de Katholieken, de grootste fractie, werd formateur. Hij kon en wilde als priester evenwel zelf geen premier worden. Het zoeken was daarna naar een protestantse kandidaat, maar Idenburg (ARP) en De Savornin Lohman (CHU) weigerden.

Tegen de derde voor de hand liggende kandidaat, Heemskerk, kwamen zowel uit eigen kring als vanuit katholieken en CHU bezwaren. Hij werd niet serieus genoeg beschouwd, liet volgens hen te veel zaken op zijn beloop en had een echtgenote die actrice was, wat in eigen christelijke kring omstreden was.

Niet Heemskerk, maar de katholiek Ruijs de Beerenbrouck werd uiteindelijk premier.

Teun Struycken, 1958

De voormannen van de KVP waren in de jaren vijftig en zestig Carl Romme en Louis Beel. De eerstgenoemde bleef echter steeds om persoonlijke redenen buiten het kabinet. Beel werd na zijn ministerschap in 1956 lid van de Raad van State. Toen in december 1958 het vierde kabinet-Drees ten val kwam, werd aangestuurd op vorming van een interimkabinet (een rompkabinet).

Echter, niet de vicepremier, Teun Struycken, maar Beel werd formateur van dat kabinet. In eigen partij (en ook door koningin Juliana) werd Struycken niet gezien als een geschikte kandidaat. Beel noemde als formeel bezwaar dat het onwenselijk was dat een demissionaire vicepremier zichzelf tot premier van een nieuw kabinet zou benoemen.

Daarom werd Beel premier van het interimkabinet. De overige ontstane vacatures door het vertrek van de PvdA-ministers werden opgevuld door zittende ministers van KVP en ARP. Beel was de enige nieuwkomer. Beel nam zowel het premierschap van Drees over als het ministerschap van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Struycken kon de door hem geschreven ontwerp-regeringsverklaring weggooien.

Victor Marijnen, 1965

Het in 1963 gevormde kabinet-Marijnen (KVP, VVD, ARP en CHU) kwam al na anderhalf jaar ten val. Vrijwel direct werd toen aangestuurd op een kabinet met de PvdA. Die partij sprak een veto uit over een voortgezet premierschap van Victor Marijnen.

Marijnen was, zo vond de PvdA, te veel verbonden aan een kabinet met de VVD. De KVP accepteerde die eis en niet Marijnen, maar diens partijgenoot Jo Cals werd formateur en premier in het daaropvolgende kabinet.

Barend Biesheuvel, 1967

Voor de VVD was verwantschap aan een eerder kabinet reden om enige tijd ARP-fractievoorzitter Barend Biesheuvel af te wijzen als premier van een centrumrechts kabinet. Biesheuvel was vicepremier in het kabinet-Cals en verdedigde het beleid van dat kabinet onder meer tegenover de kritiek op het financiële beleid.

Pas na bemiddeling door Beel was VVD-leider Toxopeus na de verkiezingen van 1967 bereid Biesheuvel te aanvaarden als formateur. Omdat diens poging mislukte, werd Biesheuvel dat jaar echter (toch) geen premier.

De bezwaren tegen zijn persoon bleven nog bestaan, onder meer omdat Biesheuvel soms kritisch was op het beleid van VVD-minister van Financiën Witteveen. In 1970 leidde een reis van fractievoorzitters naar Londen echter tot toenadering. Lange (nachtelijke) gesprekken met de nieuwe VVD-fractievoorzitter Geertsema klaarde de lucht op. In 1971 kon Biesheuvel zodoende alsnog succesvol de formatie van een kabinet met de VVD afronden.

Dries Van Agt, 1981

Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1981 verloren CDA en VVD hun meerderheid, maar het CDA nam wel van de PvdA de positie als grootste partij over. De enige reële te vormen meerderheidscombinatie was die van CDA, PvdA en D66 en de formatie richtte zich daar direct op.

D66 en PvdA vonden evenwel dat Dries van Agt niet opnieuw premier moest worden. Net als in 1965 achtten zij het onwenselijk dat de zittende premier een coalitie ging leiden met een andere politieke kleur.

Hoewel Van Agt even zelf leek te besluiten 'het politieke bos' in te gaan, kwam hij daar vrijwel direct op terug toen zijn partij dat onwenselijk bleek te vinden. D66 legde zich daarna neer bij een voortgezet premierschap van Van Agt. De PvdA deed dat toen ook maar, waarbij wel onder meer werd bedongen dat Joop den Uyl als vicepremier de verantwoordelijkheid voor werkgelegenheid zou krijgen.

Zo kwam er in september 1981 een tweede kabinet-Van Agt, dat echter in alle opzichten een mislukking werd.

Na 1981: Geen veto meer tegen ‘ongewenste’ premiers

Nadien kwamen 'ongewenste' premiers niet meer voor. De PvdA accepteerde in 2007 zonder meer dat Jan Peter Balkenende, die eerder had geregeerd met de VVD, nu een kabinet met de PvdA ging leiden. Dat deed die partij in 2012 opnieuw, toen Mark Rutte premier bleef nadat zijn VVD daarvoor had geregeerd met het CDA, met gedoogsteun van de PVV.

Hoe dat nu gaat, valt nog te bezien. Een gulden regel is er in ieder geval niet.


Prof. dr. Bert van den Braak is onderzoeker bij PDC en hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de Universiteit van Maastricht.