Deense lessen voor een minderheidskabinet-Jetten

maandag 26 januari 2026, 13:00, Corné Smit

Een verrassing, dat kan de aankondiging van de fractievoorzitters van D66, VVD en CDA dat zij een minderheidskabinet gaan vormen wel genoemd worden. Nederland kent een hardnekkige traditie van meerderheidskabinetten, die al bestaat sinds de val van het vijfde kabinet-Colijn, dat in 1939 al na enkele dagen door de Tweede Kamer naar huis werd gestuurd. De toekomst zal moeten uitwijzen of met het minderheidskabinet-Jetten sprake is van een trendbreuk of een eenmalige uitzondering. Een trendbreuk zou een verandering in onze politieke cultuur inhouden, waarbij voor inspiratie vaak wordt gekeken naar Denemarken, dat wereldrecordhouder minderheidskabinetten is. Welke lessen zijn er te trekken uit de Deense politieke praktijk? In deze bijdrage bespreek ik er twee.

Constructief zakendoen

Een eerste les is dat constructieve oppositie van zowel links áls rechts zich eerder voordoet naarmate minder twijfel bestaat over de stabiliteit van het minderheidskabinet. Bestaat daarover geen twijfel, dan staan oppositiefracties voor de keuze tussen vier jaar aan de zijlijn toekijken, of proberen met een constructieve opstelling zoveel mogelijk van hun eigen programmapunten te realiseren. In Denemarken kiezen ze dan doorgaans voor het laatste. Is een kabinet daarentegen instabiel en zijn vervroegde verkiezingen dus waarschijnlijk, dan kiezen oppositiefracties veelal voor profilering ten koste van hun compromisbereidheid.

In Denemarken wordt de stabiliteit van minderheidskabinetten, en daarmee dus indirect ook de constructieve opstelling van de oppositie, bevorderd door het fenomeen blokpolitiek. Dat houdt in dat de politieke partijen zich verdelen over twee blokken, die elk een andere premierskandidaat steunen. De premierskandidaat met de meeste steun krijgt het initiatief in de kabinetsformatie, en vormt doorgaans een regering met partijen uit zijn eigen blok. Dit is vaak een minderheidskabinet, waarbij een deel van de partijen uit het regeringsgezinde blok niet toetreedt tot de regering, maar in de oppositie blijft. Cruciaal is dat een minderheidskabinet bij stemmingen over moties van wantrouwen (en bij andere stemmingen waar het voortbestaan van het kabinet op het spel staat) wel kan rekenen op de steun van deze geestverwante oppositiefracties. Dit gaat zelfs op indien een minderheidskabinet op andere momenten zaken doet met fracties uit het niet-regeringsgezinde blok. Indien blokpolitiek goed functioneert, bestaat er geen twijfel over dat het kabinet de rit kan uitzitten; het kan immers rekenen op de steun van geestverwante oppositiefracties. In dat geval zijn ook de oppositiefracties uit het niet-regeringsgezinde blok eerder geneigd om op deelonderwerpen zaken te doen met een minderheidskabinet. Het alternatief – de verzekering vier jaar aan de zijlijn te moeten staan – is daarvoor te onaantrekkelijk. De paradox van blokpolitiek is dat een scherpe links-rechtstegenstelling zo leidt tot breed gedragen beleid.

Nederland kent al sinds het Interbellum geen blokpolitiek meer. Dat komt onder meer doordat het politieke debat in Nederland door meer tegenstellingen wordt beheerst dan alleen de sociaaleconomische conflicten tussen links en rechts. Vroeger was dat de tegenstelling tussen confessionelen en vrijzinnigen, tegenwoordig ook tussen bijvoorbeeld progressief en conservatief (denk aan de debatten rondom klimaat en migratie). Het ontbreken van blokpolitiek hoeft echter niet onoverkomelijk te zijn voor de vorming van een stabiel minderheidskabinet. In mijn proefschrift doe ik daarvoor voorstellen, bijvoorbeeld de invoering van een constructieve motie van wantrouwen. Dat houdt in dat de Kamer pas het vertrouwen in het kabinet mag opzeggen wanneer het daarbij meteen een alternatief kabinet of een alternatieve minister-president aanwijst. De meerderheid dient dus niet alleen de wens te delen dat het kabinet verdwijnt, maar ook overeenstemming te bereiken over het alternatief dat daarvoor in de plaats moet komen. Het wordt daardoor minder makkelijk een minderheidskabinet heen te zenden, omdat de oppositie dan ook de verantwoordelijkheid zal moeten nemen voor de vorming van een alternatief. De constructieve motie van wantrouwen bevordert zo constructieve politiek. In Spanje is dit instrument bewust in de Grondwet opgenomen om minderheidskabinetten mogelijk te maken. Met succes overigens, want ook in Spanje worden vaak minderheidskabinetten gevormd, terwijl dit land door het bestaan van een groot aantal regionalistische partijen geen een goed functionerende blokpolitiek kent.

Structureel samendoen

Een tweede les is dat een minderheidskabinet er goed aan doet constructieve oppositiefracties als gelijkwaardige partners te beschouwen en hen structureel te betrekken bij de vorming van nieuw beleid. In Denemarken krijgt dit gestalte in beleidsakkoorden, waaraan zowel regerings- als oppositiefracties deelnemen, zogeheten forlig. Deze forlig zijn deelakkoorden die zien op een bepaald thema, zoals defensie of woningbouw, en bevatten meerjarige afspraken over het te voeren beleid. In ruil voor deelname aan een forlig krijgt een oppositiepartij een vetorecht. Net zoals een regeerakkoord niet kan worden opengebroken zonder de instemming van alle regeringspartijen, zo kan een forlig niet worden gewijzigd zonder de instemming van de betrokken oppositiefracties, zélfs als die strikt genomen niet nodig zijn voor een meerderheid. Woordvoerders van forlig-partijen worden bovendien geregeld bijgepraat door de betrokken vakminister. Een oppositiefractie die deelneemt aan een forlig, wordt op het gebied waarop het forlig betrekking heeft dus feitelijk een soort coalitiepartij. Forlig verschaffen zo aan de regering stabiliteit en zekerheid in ruil voor significante medezeggenschap voor de oppositie.

Een saillant detail is dat forlig hun oorsprong kennen in het Deense tweekamerstelsel. Tot 1953 bestond het Deense parlement (de Rigsdag) uit twee kamers: het Landsting (vergelijkbaar met de Eerste Kamer) en het Folketing (vergelijkbaar met de Tweede Kamer). Doordat het kiesrecht voor beide kamers anders was geregeld had vrijwel nooit een partij of blok tegelijkertijd een meerderheid in beide kamers. In deze situatie kon de Rigsdag geen besluiten nemen, tenzij de regering en een deel van de oppositie de handen ineensloegen. Vanuit die noodzaak ontstonden forlig.

Deze situatie vertoont enkele overeenkomsten met de Nederlandse situatie, waarin de getalsverhoudingen in de Tweede en Eerste Kamer de laatste jaren sterk uiteen zijn gaan lopen. Ook tijdens de kabinetten-Rutte kwam weleens de spannende vraag op of de Eerste Kamer het aan zou durven een belangrijk wetsvoorstel te verwerpen. Dat kon doorgaans worden vermeden door een akkoord te sluiten met de oppositie. Het is de vraag of het minderheidskabinet-Jetten daarin nog een stap verder kan gaan en naar Deens voorbeeld structurelere samenwerkingsverbanden met de oppositie kan vormen. Het antwoord op die vraag zal voor een belangrijk deel uitmaken of met dit kabinet sprake is van een trendbreuk of een eenmalige uitzondering.

Corné Smit promoveerde op 9 oktober 2025 aan de Universiteit Leiden op het proefschrift Minderheidskabinetten in Nederland en Denemarken. Hij is een van de vier experts die door de informateur werden gevraagd te adviseren over minderheidskabinetten.

Deze bijdrage stond in