Meer is minder

maandag 16 maart 2026, 13:00, Menno Hurenkamp

In 2022 schreef Dion Koerntjes een longread voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over het verschil in opkomst tussen Tweede Kamerverkiezingen en gemeenteraadsverkiezingen. In het licht van de alsmaar dalende opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen (terwijl de opkomst voor parlement min of meer gelijk blijft en die voor Europese verkiezingen stijgt) is dat nog altijd een relevant onderzoek.

Koerntjes analyseert de kenmerken van de buurtbevolking en de omgeving waarin kiezers wonen om de opkomstverschillen te bespreken. Anders gezegd, het buurtniveau is de analyse-eenheid: denk aan openbare stembureaudata (kiesgerechtigden, aantal opgedaagde kiezers, uitslagen), maar ook opleidingspeil en inkomen per buurt, het aantal deelnemende partijen, het soort partijen, en onder meer inwoneraantal en bevolkingsdichtheid per gemeente.

Verrassing, verrassing – hoogopleiden en ouderen doen eigenlijk altijd wel mee, lager opgeleiden en mensen uit de stad minder. So far, so good. Wat echter onderbelicht bleef de afgelopen jaren, en wat ook nu in de media-aandacht voor de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen amper ter sprake komt, is dat een groter aantal lokale partijen een negatief effect heeft op de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen. 

Vergelijkbaar onderzoek naar het effect van lokale partijen in andere landen toont niet altijd dezelfde uitkomst, maar bij de CBS-data dringt het zich op: meer is minder. Als je er bij stil staat is het evident. Als je kunt stemmen op ‘Wakker Emmen’, ‘Veilig Emmen’ en ‘Hart voor Emmen, dan mag je de kiezer die denkt “ze redden zich ook wel zonder me” niet veel verwijten.

Er is geen reden om te veronderstellen dat deze trend gekeerd gaat worden. De lokale politiek lijkt te leven als nooit tevoren. In een recent NOS-item sprak de (sympathieke, daar niet van) lijsttrekker Tjeu Berlijn van Hart voor Medemblik zelfs de wens uit dat er zelfs alleen maar lokale partijen aan gemeenteraadsverkiezingen mee mogen doen. Alleen zij weten immers echt wat er leeft: "Als je lokaal stemt, krijg je een lokale politicus die weet wat er speelt." Het sluit aan bij het idee dat de klassieke volksvertegenwoordiging – met, inderdaad, volkspartijen – op zijn laatste benen loopt, en dat burgerraden, referenda en andere vormen van deliberatieve of directe democratie voor vernieuwing moeten zorgen.

Maar het resultaat van deze houding kan ook heel wel zijn dat het NIMBY (not in my backyard) principe verheven wordt tot de lokale vorm van representatieve democratie. Asielcentrum, windmolen, snelweg, geitenboerderij – prima, maar niet bij ons. En waar wel, tja, daar hoeft een lokale partij zich nou precies niet mee bezig te houden. Zie hoe het met zo’n bonte schakering aan partijtjes ook kan uitlopen op een doorlopend gekibbel waar het college van B&W zich verder niet zo veel van aantrekt, zoals dit recente artikel in NRC beschrijft.

Een relevant terzijde is hier dat het al meer dan 12 jaar geleden is dat Piet Hein Peeters en Jasper Loots op basis van interviews een mooi boekje schreven met als titel “De gemeenteraad heeft geen toekomst”. Daarin verwonderden uiteenlopende geleerden zich over het gebrek aan slagkracht van de raad. Sindsdien is niet heel veel veranderd, alle politieke energie die sindsdien in decentralisatie gestoken is ten spijt. Behalve dus het aantal partijen, dat is geëxplodeerd.

Dit doen al die politici allicht allemaal onder het motto dat men zo dicht mogelijk bij de burger wil staan. Het idee dat de burger het altijd het beste weet, heeft de politiek al een tijdje danig in de greep. Vandaar misschien dat het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de campagne Standbeeld voor de Kiezer startte, waarbij gemeenten een ode kunnen brengen aan de mensen die bereid zijn hun stem uit te brengen. Een goedbedoelde en ook wel grappige actie, die een eerbetoon brengt aan datgene wat we eigenlijk vanzelfsprekend vinden in een democratie: zo af en toe je stem laten horen.

Maar misschien zou er ook een beloning moeten komen voor ander gedrag dat óók bij de democratie hoort, namelijk: niet afsplitsen om jezelf op de voorgrond te zetten, niet wéér een microfractie vormen, niet nog een Hard voor Alkmaar oprichten. Denk bij de beloning misschien niet aan een standbeeld maar aan een lintje – Ridder in de Orde van de Democratie. Natuurlijk uit te reiken aan iedereen die vier jaar trouw zijn of haar eervolle werk in de raad doet, zonder van partij te veranderen. Maar vooral ook aan iedereen die zich op het gemeentehuis meldt met de mededeling “Ik wilde een partij oprichten maar ik zie er vanaf.” (Wel eerst even je statuten en een gevestigd bestuur laten zien, anders is het einde zoek.)

Democratie is immers ook: gezamenlijkheid, in overleg concessies doen, bereid zijn verschillen te overbruggen. Als je de kiezers in je gemeente vertelt dat er weliswaar zeven partijen zijn die een ongeveer eensluidende opvatting hebben over welzijn, onderwijs en sociaal beleid, maar jij toch echt de enige bent die kan zorgen dat de speeltuin groene (en dus niet: gele!) toestellen krijgt, dan is er niet alleen met de kiezers die niet komen weinig mis. Dan wordt de kiezers ook het verkeerde voorbeeld gegeven, namelijk dat van politiek getekend door gebrek aan inschikkelijkheid en door gewichtigdoenerij. Of het lintje in de Orde van de Democratie in naam van de Koning kan worden uitgereikt of beter van de burgemeester kan komen, dat is dan weer voer voor een commissie.

Menno Hurenkamp is hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek. Zijn expertise ligt bij het democratisch burgerschap.

Deze bijdrage stond in