N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Informatie in de Tweede Kamer: inzichten uit het Parlementsonderzoek 2025
Goed parlementair functioneren staat of valt met goede informatie. De Tweede Kamer moet beleid beoordelen, de regering controleren en signalen uit de samenleving vertalen naar politiek handelen. Dat vergt toegang tot relevante, betrouwbare en tijdige informatie. Kamerleden klagen echter niet over een gebrek aan informatie, maar juist over een overvloed ervan.
Recent onderzoek in het kader van het zogeheten Parlementsonderzoek 2025 biedt een uniek inkijkje in het dagelijkse informatiegebruik van Tweede Kamerleden. Op basis van persoonlijke gestructureerde vraaggesprekken met 58 Kamerleden in de eerste helft van 2025 is in kaart gebracht welke informatiebronnen zij gebruiken en hoe vaak zij dat doen. Het beeld dat daaruit naar voren komt, is er een van grote diversiteit, maar ook van een duidelijke rangorde.
Een breed scala aan informatiebronnen
Kamerleden beschikken over vele en velerlei bronnen van informatie. De ondervraagde Kamerleden werden negen soorten informatiebronnen voorgelegd en gevraagd hoe vaak zij hiervan gebruikmaken voor hun Kamerwerk. Kamerleden blijken vrijwel alle onderscheiden categorieën van informatiebronnen te gebruiken, maar niet in gelijke mate (zie onderstaande tabel).
Frequentie gebruik van informatiebronnen voor Kamerwerk (%), N = 58
Zelden of nooit |
Een paar keer per jaar |
Een paar keer per maand |
Een paar keer per week |
(Vrijwel) dagelijks |
|
Kranten, radio en TV |
- |
- |
- |
9 |
91 |
Fractieondersteuning |
- |
- |
- |
17 |
83 |
Sociale media |
2 |
- |
7 |
19 |
72 |
Regeringsstukken |
- |
- |
5 |
45 |
50 |
Activiteiten in de Kamer |
- |
- |
21 |
55 |
24 |
Maatschappelijke organisaties |
- |
3 |
31 |
50 |
16 |
Kamerdiensten |
- |
17 |
47 |
28 |
9 |
Onderzoeksinstituten en universiteiten |
- |
36 |
38 |
26 |
- |
Adviesorganen en planbureaus |
2 |
38 |
43 |
17 |
- |
Data: Parlementsonderzoek 2025
Veruit het meest intensief wordt voor het Kamerwerk informatie van zowel media als van fractieondersteuning gebruikt Kamerleden volgen kranten, radio, televisie en sociale media vaak om zicht te houden op maatschappelijke signalen en politieke actualiteit. De eigen fractieondersteuning fungeert daarbij als het cruciale filter: fractiemedewerkers selecteren, ordenen en duiden informatie, zodat deze meer overzichtelijk en politiek hanteerbaar wordt. Opvallend is dat de diensten van de Tweede Kamer, zoals de griffie, het Bureau Wetgeving en de Dienst Analyse en Onderzoek, beduidend minder vaak worden geraadpleegd. Kamerleden geven aan dat deze diensten naar hun mening (te) terughoudend opereren en dat hun adviezen soms te voorzichtig geformuleerd zijn om politiek bruikbaar te zijn.
De meeste Kamerleden nemen – begrijpelijkerwijs – minstens wekelijks kennis van officiële stukken van de regering, zoals Kamerbrieven en wetsvoorstellen. Activiteiten in de Kamer, waaronder debatten, rondetafelgesprekken en Kamervragen, vormen voor een meerderheid een wekelijkse informatiebron, terwijl een kwart deze zelfs dagelijks benut. Deze informatiebronnen zijn uiteraard van belang om de regering te controleren en deel te nemen aan het wetgevingsproces.
Relevante informatie verkrijgen Kamerleden eveneens via personen ‘buiten de Haagse bubbel’ die ‘direct belang’ hebben bij een specifiek beleidsvraagstuk. Of via hun vertegenwoordigers, zoals maatschappelijke en belangenorganisaties, evenals actie- en protestgroepen. “Je voert heel veel gesprekken met alle partijen op een dossier om een beeld te krijgen van het speelveld van de belangrijkste kwesties en de belangrijkste argumenten”, aldus een Kamerlid ter toelichting. Al leeft er onder Kamerleden tegelijkertijd enige bezorgdheid over de invloed van lobbygroepen op het besluitvormingsproces. Daarnaast ontvangen Kamerleden naar eigen zeggen “elke week weer honderden mails op allerlei terreinen” van burgers en belangenorganisaties, en leggen zij werkbezoeken af.
Ten slotte blijkt dat informatie van professionele kennisinstellingen en adviesorganen – zoals universiteiten, denktanks en planbureaus – het minst worden geraadpleegd. Hoewel de meeste Kamerleden deze bronnen wel degelijk gebruiken, gebeurt dat meestal slechts enkele keren per maand of zelfs per jaar. Dat is toch best opvallend, zeker omdat deze instellingen vaak juist zijn opgericht mede om besluitvorming te ondersteunen en te faciliteren met kennis en analyse. In de beleving van veel Kamerleden biedt de door kennisinstellingen aangeboden informatie te weinig concrete aanknopingspunten om praktisch concreet te handelen. Een Kamerlid drukte een veelvoorkomende reactie op aanbevelingen in onderzoeksrapporten als volgt uit: "Tsja, wat moet een Kamerlid daar nou mee?” Tussen ambitie en de parlementaire praktijk zit aldus enige discrepantie.
Van overvloed naar overzicht?
“We worden wel echt overstelpt door informatie.” De vraaggesprekken laten zien dat de kern van het probleem zoals ervaren door Kamerleden niet zozeer ligt in de beschikbaarheid van informatie als zodanig, maar in de hanteerbaarheid en bruikbaarheid ervan. Overvloed schept onbehagen en ongemak. “Het is veel te veel,” aldus een Kamerlid.
Nog harder werken gaat dit probleem van informatieovervloed niet oplossen. De deelnemers aan het Parlementsonderzoek besteden immers volgens hun eigen inschatting gemiddeld al ruim zestig uur per week aan het Kamerwerk. Een substantiële minderheid van 40 procent, met name leden van kleinere fracties en van de oppositie, is van oordeel dat zij onvoldoende tijd aan het Kamerwerk kan besteden: “Met deze fractiegrootte en werkdruk lukt het me niet altijd om genoeg rapporten en grotere stukken te lezen.” Daardoor dreigen essentiële signalen verloren te gaan, met allicht negatieve gevolgen voor parlementaire controle en de effectiviteit daarvan.
Het Parlementsonderzoek 2025 laat overigens wel zien dat Kamerleden steeds bewuster omgaan met hun beperkte tijd en aandacht, deels noodgedwongen: ‘Soms krijg je zoveel informatie binnen dat wij het gewoon bij sommige onderwerpen ook moeten laten liggen.’ Informatiegebruik is selectief en mede afhankelijk van rolopvattingen. Kamerleden die controle centraal stellen, grijpen vaker naar regeringsstukken en Kamerinstrumenten. Kamerleden die vertegenwoordiging belangrijk vinden, leunen meer op media en maatschappelijke contacten. Er bestaat dus geen one-size-fits-all of ideale informatiebron, maar bovenal een gedeelde behoefte aan overzicht, waarin de voor diverse Kamerleden wellicht verschillende kernpunten snel inzichtelijk zijn.
Tot slot
De bevindingen uit het Parlementsonderzoek 2025 onderstrepen dat de kwaliteit van het parlementaire functioneren in het algemeen en parlementaire controle in het bijzonder niet alleen wordt bepaald door formele rechten en procedures. De manier waarop informatie circuleert, wordt gefilterd en wordt benut, is van minstens zoveel gewicht. In een tijd waarin informatie overvloedig aanwezig is, ligt de meerwaarde niet in nóg meer informatie, maar in betere, meer gedifferentieerde informatie, kennis en politieke vertaling.
De door de ondervraagde Kamerleden gegeven suggesties voor verbetering van het informatiegebruik vragen dan ook om inspanningen binnen de Kamerorganisatie. Deze behelzen de ontwikkeling van bondigere formats, samenvattingen en betere digitale systemen. Het vraagt om investeringen in ondersteuning: uitbreiding van fractiemedewerkers en versterking van Kamerdiensten als actieve informatieverwerkers. Ook dienen werkprocessen te worden aangepast: structurele verslaglegging van werkbezoeken en betere benutting van bestaande procedures voor ambtelijk contact. Deze maatregelen kunnen bijdragen aan het vermogen van de Tweede Kamer om beleid te beoordelen, de regering te controleren en maatschappelijke signalen te vertalen naar politieke actie.
Rick van Well is onderzoeker bij het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) van de Rijksuniversiteit Groningen en de coördinator van het Parlementsonderzoek 2025. Hij schreef samen met Joop van Holsteijn, Tom Louwerse en Cynthia van Vonno (allen Universiteit Leiden) het onderzoeksrapport ‘Van overvloed naar overzicht? Perspectieven van Tweede Kamerleden op informatiegebruik en informatiebehoefte’ op verzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.