Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Visies op Europa: van samenwerking tot eenwording, van renationalisering tot globalisering en van economie tot normen en waarden.

dinsdag 13 september 2011, 11:58

DEN HAAG (PDC) - Tijdens de expertmeeting ‘Europa, Europa…’ in de Academie voor Wetgeving discussieerden vertegenwoordigers van wetenschappelijke bureaus, EU-specialisten, journalisten en wetenschappers over de rol van wetenschappelijke instituten in de visievorming over ‘Europa’ binnen hun partij. Na korte presentaties van Corina Hendriks (Mr. Hans van Mierlo Stichting, D66), Patrick van Schie (Teldersstichting, VVD), Sander Luitweiler (wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie), Arjen Vliegenthart (wetenschappelijk bureau van de SP), Raymond Gradus (wetenschappelijk instituut voor het CDA), René Cuperus (Wiardi Beckman Stichting, PvdA), Dick Pels (Bureau de Helling, GroenLinks) en  Jan Schippers (Guido de Brès-Stichting, SGP) kwam een levendige discussie op gang, onder leiding van Arco Timmermans en Edwin van Rooyen.

Wat is de rol van wetenschappelijke bureaus?

Wetenschappelijke instituten houden zich voornamelijk bezig met het publiceren van rapporten en periodieken en het helpen tot stand brengen van verkiezingsprogramma’s, maar wat is hun rol nu eigenlijk? Louise van Schaik (Clingendael) was van mening dat de bureaus dilemma’s moeten blootleggen. Welke inhoudelijke opties heeft de partij? Corina Hendriks kon zich hierin vinden en voegde eraan toe dat de wetenschappelijke instituten ook als taak hebben de juiste vragen te stellen. Zij behoren informatie en kennis bijeen te brengen om verschillende scenario’s te schetsen: ze kunnen in kaart brengen wat de mogelijke oplossingen zijn voor een concreet probleem en welke consequenties de verschillende oplossingen zullen hebben. Vervolgens moeten ze de keuzes aan de leden en politici voorleggen. Die nemen de uiteindelijke beslissingen. De onderzoekers leken het erover eens dat de bureaus ook algemene vragen zouden moeten beantwoorden als ‘Waarom zitten we in de EU?’ en ‘Hoe zouden we Europa moeten inrichten’?

Hoe worden visies op Europa ontwikkeld?

Slogans als “Europa is ons binnenland” (D66), “Samenwerking – Ja, Superstaat – Nee” (CU) en “Europa als waardengemeenschap” (CDA) geven de visies op Europa van politieke partijen vaak kort en krachtig weer. Dick Pels sprak echter over een ‘zielloos Europa’. Hij zag een beschavingsmissie voor Europa als dé oplossing om een nieuw positief Europees verhaal te creëren en zo Europa haar ziel terug te geven. Jan Willem Holtslag (WRR) pleitte ervoor om bij dit nieuwe verhaal de ideologische schuttersputjes te verlaten. Volgens Florus Wijsenbeek (Nordstichting, VVD) is het bij het aanpakken van de huidige Eurocrisis noodzakelijk om te werken vanuit het idee van ‘een stip aan de horizon’, een bredere visie op de toekomst van Europa. Wel werd geconstateerd dat recentelijk een ontwikkeling van ‘normalisering’ van het Europadebat in gang is gezet. Verscheidene sprekers, onder wie René Cuperus, Patrick van Schie en Jan Schippers, wezen op de noodzaak van een open publiek debat over ‘Europa’. De Europese Unie moet geen project alleen van ingewijden zijn, maar heeft veel bredere betrokkenheid van burgers nodig.

Adriaan Schout (Clingendael) betwijfelde echter of dit doel haalbaar is. Hij was ervan overtuigd dat de politieke en ideologische keuzes van de partijen en hun instituten de kaders waarbinnen de discussies plaatsvinden beperken. Arjen Vliegenthart, Sjerp van de Vaart (Europees Parlement Bureau Nederland) en Antoaneta Dimitrova (Universiteit Leiden) wezen erop dat de recente gebeurtenissen rondom de Eurocrisis bewijzen dat het Europadebat het tempo van de veranderingen in Europa niet bij kan benen. Daardoor worden de instituten genoodzaakt de waan van de dag en de actualiteit te overstijgen. Dick Pels en Bernard Steunenberg (Universiteit Leiden) waarschuwden voor de retoriek over renationalisering, hevig aangewakkerd door populisme, die een bedreiging voor Europese solidariteit zou vormen.

De expert meeting bleek de eerste keer dat vertegenwoordigers van wetenschappelijke instituten de dialoog aan gingen over hun eigen functioneren in relatie tot het thema ‘Europa’. Alle deelnemers bleken enthousiast over het vernieuwende concept. Zij zijn het erover eens dat de ‘normalisering’ van het Europadebat een goede ontwikkeling is. Een debat over Europese onderwerpen ontdaan van taboes kan bijdragen aan een groter draagvlak voor het Europese project, al is dit zeker niet het expliciete doel van alle partijen. De meningen waren verdeeld over de rol die wetenschappelijke instituten voor partijen, als de spil tussen wetenschap en politiek, zouden moeten vervullen. Wetenschappers bekritiseren de beperkingen die volgen uit de ideologische kaders waarbinnen de bureaus opereren, terwijl de wetenschappelijke instituten hun onafhankelijkheid van de partij benadrukken.