Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Een bijzondere vergadering met hekjes

troonrede 1915

In de Ridderzaal vindt op Prinsjesdag een bijzondere vergadering plaats. Het is de enige dag van het jaar waarop de gehele Staten-Generaal (Eerste en Tweede Kamer), de voltallige regering (Koning en ministers) plus het belangrijkste adviesorgaan van de regering (Raad van State) in vergadering bijeen zijn. Het is een symbolische vergadering: afgezien van een paar woorden van de voorzitter is de koningin de enige die het woord voert. Zij richt zich daarbij rechtstreeks en uitdrukkelijk tot de leden van de Staten-Generaal. Degenen die in vergadering bijeen zijn, bevinden zich binnen de zogeheten enceinte. Alle andere aanwezigen zitten buiten deze enceinte. Tot hen behoren de overige Hoge Colleges van Staat, zoals de Algemene Rekenkamer en de Nationale Ombudsman, voorzitters van adviesorganen, vertegenwoordigers van de rechterlijke macht, diplomaten, commissarissen van de koningin, oud-Kamervoorzitters, oud-ministers-presidenten, de Hoge Raad van Adel en vele anderen.

 
Troonrede 1917

Opmerkelijk is dat de symboliek van deze bijzondere vergadering vroeger veel duidelijker was dan tegenwoordig. Hekjes gaven destijds zonneklaar aan wie zich binnen en wie zich buiten de enceinte bevond. Tegenwoordig staan de hekjes er weliswaar nog steeds, maar zij vallen in de overvolle zaal nauwelijks meer op. Bovendien heeft de enceinte aan symbolische betekenis ingeboet, want, zoals wij op Prinsjesdag 2008 met eigen ogen mochten waarnemen, bevonden ook enkele leden van andere Hoge Colleges van Staat dan de Raad van State zich binnen de enceinte. Betrokkenen bij de organisatie van Prinsjesdag verklaarden ook het begrip enceinte eigenlijk nooit te gebruiken. De bijzondere positie van ministers en staatsraden op Prinsjesdag blijkt tegenwoordig alleen nog uit het feit dat ook zij, net als de koningin, de Verenigde Vergadering pas betreden nadat deze, kort na 13.00 uur, officieel is geopend.

Bijzonderheden

Op de bijzondere positie van de Raad van State tijdens Prinsjesdag is in het verleden overigens wel kritiek geuit. Van Raalte haalde in zijn al vaker geciteerde werk uit 1952 P.J. Oud aan die meende dat de Raad niet in de vergadering thuishoorde. Van Raalte kon zijn aanwezigheid binnen de enceinte echter wel billijken, vooral op historische gronden, maar hij vond wél dat het beter zou zijn de Raad een andere plaats binnen de enceinte te geven. Aangezien de staatsraden adviseurs van het staatshoofd zijn en bovendien zonodig de Koning kunnen vervangen (gw art. 38), dacht Van Raalte dat het misschien wel ‘iets juister’ zou zijn als zij ‘zich rondom de Koning zouden scharen’. Vondeling schreef in 1975 in zijn artikel ‘Prinsjesdag als openbare les’ klip en klaar dat de Raad van State ‘tot nu toe een oneigenlijke plaats in de Ridderzaal’ heeft. Hij vermoedde – terecht – dat het gebruik uit 1815 dateerde, maar hij zag geen reden deze ‘vooraanzittende plaats’ te handhaven.

In de jaren zeventig ontstond ook kritiek op de rangschikking van de aanwezigen binnen de enceinte. Sedert de ingebruikname van de Ridderzaal in 1904 zaten bewindslieden en leden van de Raad van State in het vak recht tegenover de koningin. De kritiek, onder anderen verwoord door Vondeling, luidde dat dit staatsrechtelijk niet klopte. De opstelling suggereerde immers ten onrechte dat het staatshoofd zich in de eerste plaats tot het kabinet en de Raad richtte. In 1983 is de opstelling veranderd. Nu zitten de leden van de beide Kamers in de vakken recht tegenover de koningin alsmede in het vak aan haar rechterhand; de bewindslieden en de leden van de Raad van State zitten in het vak links van de troon. Symbolisch is deze verandering uiteraard niet van belang gespeend.

Tussen omstreeks 12.15 en 12.45 uur nemen alle leden van de Staten-Generaal en alle genodigden hun plaatsen in. Om 13.00 uur stipt, op het moment dat de Gouden Koets vertrekt vanaf het paleis, opent de voorzitter de vergadering, waarna, zoals reeds vermeld, de leden van het kabinet en van de Raad van State binnentreden. Naast de al genoemde aanwezigen in de zaal, zitten er, ten slotte, ook op de tribune nog genodigden: de pers en circa vijftig ‘gewone’ burgers. De aanwezigheid van de burgers brengt tot uitdrukking dat ook deze vergadering van de volksvertegenwoordiging, hoe bijzonder ook, principieel een openbare bijeenkomst is. Tegenwoordig dienen belangstellende burgers een toegangsbewijs aan te vragen bij de Eerste Kamer – de wachttijd bedraagt momenteel vijf jaar. Vroeger gingen burgers trouwens gewoon in de rij staan voor een plaatsje; en niet zelden verkochten zij het uiteindelijk bemachtigde kaartje dan weer door aan laatkomers. De Haagsche Courant maakte jaarlijks melding van deze activiteiten, inclusief de koers van de ‘marktprijzen’ van de kaartjes, die kon oplopen tot wel vijftien gulden. Maar daarvoor had de ‘speculant’ dan ook vierentwintig uur of langer onder soms barre omstandigheden in de kou gestaan!

Carla van Baalen is directeur van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis (CPG) en hoogleraar parlementaire geschiedenis. (Radboud Universiteit Nijmegen)


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 26 september 2011.