Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Nog eens: de begrotingsbevoegdheden van het Europees Parlement

Notenboom, Drs. H.A.C.M.

Ondanks 'huiver' over Eurobonds vraagt oud-Europarlementariër Harry Notenboom zich af of de Europese Commissie niet de voor de hand liggende instelling is om die staatspapieren uit te geven. En ze zo in te voegen in het budget van de Europese Unie.

In de Nieuwsbrief nr. 7 was sprake van aantasting van de begrotingsbevoegdheden van het Europees Parlement. Dat was bedoeld in vergelijking met de eerste jaren na de eerste rechtstreekse verkiezingen van dat parlement. Het kan geen kwaad een blik te werpen op die periode. Mede door druk van het nog niet rechtstreeks gekozen parlement had het Verdrag van Luxemburg, een tegenwoordig nooit vermelde verdragswijziging van april 1970, het EP eigen bevoegdheden over de vaststelling van de begroting verleend, terwijl de wetgevende bevoegdheden nog van adviserende aard bleven. Zowel in kringen van de Raad als van het Europees Parlement werd dat gezien in verband met de beoogde rechtstreekse verkiezingen. In 1978 werden voor de nieuwe bevoegdheden van kracht en in 1979 vonden de eerste rechtstreekse verkie­zin­gen plaats. In de jaren daarna was de begrotingscommissie van het EP zeer strijd­baar om de bevoegdheden uit te oefenen en ook te versterken. De tijd­geest was – anders dan vandaag – gericht op grotere overheids­uitgaven. Het Parle­ment kon in bepaalde gevallen tegen de wil van de Begrotingsraad begrotingsposten creëren  (van beperkte omvang).  In enkele gevallen kreeg het EP van het Hof van Justitie gelijk toen de Raad in beroep was gegaan.

Altiero Spinelli was 2e vice-voorzitter van de begrotingscommissie en ik de 1e vice-voorzitter. Wij communiceerden altijd in het Duits en Spinelli riep steeds: “Keine Giesskanne!”. Hij bedoelde daarmee dat het EP niet als met een gietertje veel kleine begrotingsposten moest creëren, maar gestructureerd de begroting diende te verster­ken. Ondergetekende publiceerde in diverse tijdschriften over “Vervangend Beleid”, met de strekking dat Europese uit­ga­ven niet boven op de nationale moesten komen, maar – waar mogelijk – als vervan­ging van nationale uitgaven. Voor beleid dat beter en efficiënter Europees dan nationaal gevoerd kon worden. De begro­tings­commissie ijverde er ook voor om de ver­drags­regel dat de Europese begroting in evenwicht moest zijn te handhaven. Wij von­den dat de Europese begroting geen tekort moest kunnen hebben. Dat is gelukkig nog steeds het geval.

Eurobonds

De doelstelling van geen begrotingstekorten op het EU-budget lijkt me thans nog van groter belang dan toen, nu wereldwijd zichtbaar is hoe veel schade tekorten en dus schulden teweeg kunnen bren­gen. Daarom heb ik huiver voor het invoeren van Euro­bonds, hoezeer deze theoretisch ook zouden kunnen bijdragen tot gewenste rente­da­ling. Eurobonds zijn onlangs ter sprake gekomen in verband met een heel andere pro­blematiek: de enorme schuldpa­pieren van een aantal EU-lidstaten. Met ondraag­lij­ke rentepercen­ta­ges voor financieel zwakkere lidstaten. In mijn ogen zou de Europese Commissie de voor de hand liggen instelling zijn om Eurobonds uit te geven. Maar die­zelfde Commissie is ook de executieve van het EU-budget en indie­ner van het jaar­lijkse ontwerp daarvoor. Het zou maar een kleine stap zijn om Eurobonds in te voegen in het EU-budget en dat zou een eind maken aan de wijze regel van begro­tingseven­wicht. Bij de verdere discussie over Eurobonds zou deze gedachte meege­nomen kun­nen worden.

Harry Notenboom was van 1971 tot 1984 lid van het Europees Parlement.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 19 december 2011.