Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Wie houdt nog van ons?

In korte tijd heeft Nederland kans gezien zich zo ongeveer overal in Europa – trouwens ook daarbuiten – ongeliefd te maken.

De naaste buur, België, voelt zich geschoffeerd door een regering die zich niet aan een vastgelegd akkoord wenst te houden, onder meer bestaande in het onder water zetten van de Hedwigepolder. De verdragstrouw in deze kwestie is trouwens al jaren een kwestie van nu eens ja en dan weer nee. De Belgen hebben de steun van de Europese Commissie, die met Nederland her en der nog meer appeltjes te schillen heeft. Van die appeltjes hebben meer lidstaten er enkele in voorraad. Bijzonder is alleen dat Nederland voor het eerst de indruk wekt het met de ‘Gemeinschaftstreue’ niet zo nauw te nemen.

Onder dwang van Wilders moest de minister voor immigratie, Leers, in heel Europa op sjouw om te bewerkstelligen dat elke lidstaat van de EU strenger zou worden voor migranten die in het kader van gezinsvorming naar hun land zouden komen. Voor zulke beperkingen blijkt in Europa geen enkele belangstelling, noch bij de Europese instituties in Brussel, noch bij de overige lidstaten. Op verzoeken om suggesties, die zijn uitgegaan van de Europese Commissie, is van de grote staten niet eens antwoord gekomen. Al te zware beperkingen zoals Nederland die wil, zouden in strijd komen met het Europese Verdrag voor de Mensenrechten (EVRM).

Over EVRM gesproken, daar begint Nederland – in dit geval gesecondeerd door het Verenigd Koninkrijk - de laatste twee jaren moeilijk te doen, vooral over de uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, gevestigd in Straatsburg. Het doet uitspraken die ons niet uitkomen en het doet politieke uitspraken, zo vinden de Britten en de Nederlanders. Dat schijnt niet te mogen, in elk geval niet als wij erdoor worden geraakt. Als andere landen op de vingers worden getikt, is dat natuurlijk volkomen terecht. Ook hier kunnen wij buiten ons land niet op veel begrip rekenen, omdat die zog. ‘politieke’ uitspraken tot de opdracht behoren van het Europese Hof. Geen wonder dat de Nederlandse houding, in dit geval vooral gevoed door de VVD die hier Wilders rechts passeert, op weinig plekken wordt begrepen.

In de Europese Unie weet Nederland zich impopulair te maken door Roemenië en Bulgarije de toegang te weigeren tot het Verdrag van Schengen, dat het personenverkeer heeft bevrijd van grenscontroles. Zogenaamd gebeurt dat omdat wij de rechtsstaat in die landen niet voldoende gewaarborgd zien; in feite omdat Nederland bang is voor een invasie van goedkope arbeidskrachten. Eerder hadden wij al erg lang dwarsgelegen tegen de toetreding van Servië tot de EU. Net als nu bij Roemenië en Bulgarije was Nederland de enige dwarsligger, in alle gevallen tot groot onbegrip van de hele EU. In Zuid-Oost Europa hebben wij zodoende geen vrienden meer.

In Midden- en Oost-Europa zijn wij die intussen ook kwijt. Het meldpunt van de PVV waar klachten over overlast door arbeidsmigranten uit Polen en andere landen in die regio anoniem kunnen worden geklikt, heeft terecht de ontsteltenis gewekt in de betrokken landen. Beleefd verzoek van hun ambassadeurs aan de Nederlandse regering om zich daarvan te distantiëren heeft niets uitgehaald. Kritische opmerkingen van de voorzitter van het Europees Parlement zijn zelfs verongelijkt begroet.

Bij de kliklijn voegen zich de pogingen van Nederland om de minimale termijn waarin burgers uit andere lidstaten in ons land mogen verblijven als toerist (maar vaak inderdaad voor seizoensarbeid) te bekorten van zes naar drie maanden. Voor die nieuwste vorm van afkeer tegen buitenlanders heeft opnieuw helemaal niemand in de EU enige belangstelling.

Nu staan wij op het punt ons naast ongeliefd ook belachelijk te maken. Eerst heeft minister De Jager als het schril blaffende schoothondje van de Duitsers Zuid-Europese landen, Griekenland vooral, gewezen op hun plichten bij de reductie van begrotingstekorten en overheidsschulden. Nu staan wij zelf ingewikkeld te doen over de verplichting onszelf te houden aan deze verplichtingen. Wij reageren geïrriteerd op de vermaningen van de Europese Commissaris, Olli Rehn, die alleen maar doet wat uitgerekend Nederland heeft gevraagd: controle houden op de lidstaten. Geen wonder dat Europa breed loopt te grijnzen over ons gezeur.

Over de miljardenreducties in de ontwikkelingssamenwerking zullen wij het maar niet hebben.

Vraag is wel: hoe lang denkt een land dat zo volledig afhankelijk is van internationale goodwill (zie de column van Bert van den Braak, vorige week) deze zelfingenomen botheid voort te kunnen zetten?