Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Europese politiek: een heidens karwei vol met struikelblokken

Masterclass Brussel 2012

De Studenten van de Montesquieu Masterclass 2012 brachten op 15 en 16 maart 2012 een bezoek aan Brussel. De groep arriveerde op de 15e in Brussel en werd na een lunch bij Nether geïnformeerd over het spel tussen de Europese politieke arena en de media in Brussel. Caroline de Gruyter correspondent van het NRC gaf de studenten een uiteenzetting over de EU en de media.

Zoals ook in Den Haag het geval is, wordt er in Brussel veel vergaderd door politici: het Europese Brussel is volwassen geworden. In Brussel vergaderen politieke actoren: ministers, leden van de Europese Commissie en leden van het Europese Parlement. Zij zijn generalisten. Bij het tot stand komen van beleid is echter ook veel technische kennis nodig. Dit geldt ook bij het oplossen van de huidige crisis.

De besluiten worden echter door politici genomen. Zij moeten in een groep van 27 landen proberen beleid te maken dat door zoveel mogelijk landen gesteund wordt. Compromissen zijn aan de orde van de dag. Ondanks dat deskundigen aan hun ministers adviezen geven over de beste uitkomst van deze onderhandelingen, kan om politieke redenen niet altijd voor de meest optimale uitkomst gekozen worden. Dit wordt ook veroorzaakt door mogelijk nationaal bepaalde verschillen. Politici hebben belang bij een uitkomst van de onderhandelingen die ze kunnen “verkopen” aan hun achterban: nationale parlementen en kiezers.

Ook bij de huidige crisis, die een dominante financiële component heeft, blijkt dat er slechts enkele specialisten zijn die in Brussel bij de Raad aan tafel zitten. Dat zijn Monti van Italië en Juncker van Luxemburg. Bovendien zitten bij de onderhandelingen de ministers van Buitenlandse Zaken niet meer aan tafel. De andere minister-presidenten, die generalisten zijn, moeten het dus grotendeels op eigen kracht en kennis doen. De adviezen die ze hebben gekregen bestaan veelal uit een aantal scenario’s variërend van de beste uitkomst tot de minst goede. De praktijk leert dat die beste uitkomst nooit bereikt wordt en dat een (matig) compromis het hoogst haalbare is.

Naast deze technische problemen doen zich, mede door het Verdrag van Lissabon, nog andere zaken voor die de tot standkoming van beleid bemoeilijken. Door het Verdrag van Lissabon hebben nationale parlementen meer mogelijkheden gekregen om het beleid mede te bepalen. Dit is op zich goed voor de legitimiteit van het beleid, althans dat is de idee hierachter, maar in de praktijk ligt het allemaal wat minder eenvoudig.

De tafelheren en tafeldames in de Raad moeten de uitkomsten van het overleg bij thuiskomst kunnen verdedigen. Hun politieke leven kan daar van afhangen. Dat betekent dat dit, samen met de nieuwe invloed van de nationale parlementen er voor zorgt, dat er nooit technisch optimale oplossingen komen. Nationale politiek bepaalt hierdoor in grote mate welke maatregelen er worden genomen en ook hoe deze worden gecommuniceerd naar de nationale parlementen en via de pers naar de Europese kiezers.

De pers probeert dit allemaal te volgen. Dat is een lastig karwei. Het spreekt vanzelf dat ook de pers last heeft van de hierboven geschetste problematiek. Daarnaast is het echter zo dat de pers in Brussel, net zoals bijvoorbeeld in Nederland, niet bestaat uit een groot leger journalisten, dat altijd en overal aanwezig is of kan zijn. Dit los van het feit dat vergaderingen in Brussel nog wel eens tot in de kleine uurtjes doorgaan.

Het is dus voor journalisten net zoals voor de politici en de ambtenaren soms een uitputtingsslag. Het resultaat van de onderhandelingen moet vervolgens gecommuniceerd worden naar de nationale achterban, waarbij een onderbemenste pers een grote rol speelt. De vraag kan dan ook gesteld worden of het door dit alles überhaupt wel mogelijk is om op een effectieve wijze aan het electoraat uit te leggen wat er precies in Europa gebeurt, waarom dit Europese beleid zo tot stand komt en waarom de inhoud van het beleid is zoals het is

1.

Bezoek aan Permanente Vertegenwoordiger

Masterclass Brussel 2012

Het tweede deel van het bezoek aan Brussel op 15 maart 2012 bestond uit een bezoek aan de Permanente Vertegenwoordiger (PV) van Nederland bij de Europese Unie. De PV vertegenwoordigt de belangen van Nederland bij de Europese Unie. Tijdens het bezoek aan de PV werd ingegaan op de rol die de PV in Brussel vervult. Het bezoek had een meer informatief karakter over het werk van deze Nederlandse vertegenwoordiging. Op verschillende afdelingen werken ambtenaren van verschillende Nederlandse ministeries en andere onderdelen van de Nederlandse overheid.

Medewerkers van het kantoor van de PV zijn actief in allerlei overlegsituaties waar de Nederlandse belangen gediend moeten worden. De activiteiten zijn zowel op politiek gebied als ondersteunend naar Nederlandse bedrijven toe die in de Europese Unie zaken willen doen. Tijdens het bezoek werd een beeld geschetst van de dagelijkse gang van zaken. Duidelijke werd dat ook dit werk, net zoals ander werk in de diplomatie, van de staf van de PV veel vraagt, maar ook uitdagend is en voldoening geeft.

De eerste dag van het bezoek werd afgesloten met een diner in een restaurant vlak bij de Grand Place. Het gaf de studenten de gelegenheid terug te kijken op een geslaagde eerste dag. Het groepsgevoel van de Montesquieu Masterclass 2012, heeft hierdoor, net zoal in voorgaande jaren bij eerdere bezoeken aan Brussel en Berlijn, een flinke stimulans gekregen.

De tweede dag van het bezoek aan Brussel bestond uit een college bij Nether over de Europese Commissie en de crisis. Onder leiding van Ludolf van Hasselt, medewerker bij de Europese Commissie, werd gesproken over de crisis en de media. Het onderwerp had veel overeenkomsten met de bijeenkomst van de vorige dag, maar werd ditmaal belicht vanuit een institutionele invalshoek. Het bleek echter dat grotendeels dezelfde problemen een rol spelen. Ook nu werd geconstateerd dat de crisis niet alleen een economische crisis is. Het is ook een legitimiteitscrisis. Hier blijkt ook dat de rollen van de actoren, na het Verdrag van Lissabon, nog gestabiliseerd moeten worden.

Daarnaast blijkt dat de economische prestaties van de verschillen EU lidstaten ongelijk zijn. Hierdoor is de uitgangspositie van de diverse Europese lidstaten bij de crisis niet hetzelfde. Dit heeft consequenties voor de wijze waarop de staten in de crisis staan. Er spelen veel belangen: nationaal en electoraal. De belangen van lidstaten lopen niet (altijd) synchroon en zorgen zo soms voor een gebrek aan onderling vertrouwen. Er moet geconstateerd worden dat de wijze waarop de crisis wordt bestreden niet qua inhoud altijd een optimum oplossing biedt.

Het lijkt alsof er korte termijn oplossingen gevonden worden, waardoor van tussencrisis naar tussencrisis wordt gewerkt. De lange termjn visie zou ontbreken. Wel zijn er in een kort tijdsbestek beleidsaanpassingen tot stand gekomen. Denk hierbij onder andere aan het Sixpack, ESFS en het Stabiliteitspact. Deze bieden zowel op beleidsgebeid als op institutioneel gebied kansen om de huidige crisis te bestrijden en de kans op een dergelijke crisis in de toekomst te verminderen. De Europese unie kan zo als regulator optreden. Daarnaast is een programma ontwikkeld dat de Europese burger bij het beleid wil betrekken. De burger moet een centralere plek krijgen. Hiervoor worden de programma’s Europe for Citizens en hetEuropean Year of Citizens uitgevoerd.

Tijdens de bijeenkomst werd de hoop uitgesproken dat het niet zou blijven bij het oplossen van de economische crisis, maar dat de legitimiteitproblematiek ook zou worden aangepakt. Dit geldt ook voor de nieuwe Europese, hiervoor genoemde, nieuwe instituties die volgens sommigen een te grote macht krijgen en dus is enige uitleg wel gewenst. Ook over hun legitimering. Opgemerkt werd dat de genoemde programma’s, ondanks een poging deze onder de aandacht van de Europese burgers te brengen nog te weinig bekend zijn en dat daar nog veel werk gedaan moet worden.