Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De rol van de Tweede Kamervoorzitter

De verkiezingsuitslag die de samenstelling van de nieuwe Tweede Kamer in grote lijnen bepaalt is nu bekend Of we ook snel een nieuw kabinet hebben, valt te bezien. Het is niet uit te sluiten dat de coalitievorming vanwege de verkiezingsuitslag en de opstelling van diverse partijen ten opzichte van de PVV een complexe affaire wordt. Impasses zijn niet onmogelijk.

De oude procedure

Tot 2012 was het aan de Koning (vanaf 1890 overigens steeds een koningin) om knopen door te hakken als de formatie vastgelopen was. Niet zelden leidde dat tot controverse, als deze besluiten niet direct voortvloeiden uit de voorkeuren en adviezen van de voorzitters van de grote fracties. Zo werd in 1981 de benoeming van W.F. de Gaay Fortman tot informateur bekritiseerd omdat de aanvoerder van de grootste partij, CDA-leider en beoogd premier Dries van Agt, een andere partijgenoot (Piet Steenkamp) had aanbevolen.

Toen in 1994 de formatie in een impasse raakte omdat een eerste poging om tot een paars kabinet was mislukt en andere coalitievarianten (met het CDA) door diverse blokkades onmogelijk waren, wees koningin Beatrix Wim Kok aan als informateur. Dat was in strijd met de aanbeveling in het eindverslag van ‘tusseninformateur’ Herman Tjeenk Willink, en leidde tot ontstemming bij (vooral) het CDA.

De wijze waarop dergelijke benoemingen tot stand kwamen onttrok zich aan het zicht, omdat de adviezen waarop de koningin zich baseerde vertrouwelijk en daarmee oncontroleerbaar waren. Het betrof vooral raadgevingen van haar vaste adviseurs, de voorzitters van beide Kamers der Staten-Generaal, en de vicepresident van de Raad van State.

Nadat tijdens de formatie van 2010 andermaal enkele informateursbenoemingen (Tjeenk Willink, Lubbers) ter discussie waren gesteld, besloot een Kamermeerderheid de traditionele regierol van de Koning in de formatie te beëindigen. De Tweede Kamer nam die rol voortaan zelf op zich. Onvermijdelijk leidde dat bij de formatie van najaar 2012 tot een grotere zichtbaarheid van de voorzitter van de Tweede Kamer. Daarvoor trad die in formaties slechts op als een van de drie vaste adviseurs van de Koning. Een speciale taak had de Tweede Kamervoorzitter om direct na de verkiezingen te polsen onder de fracties of een meerderheid behoefte had aan een debat over de verkiezingsuitslag en het begin van de formatie, een optie die mogelijk was gemaakt door de motie-Kolfschoten (1971). Uiteindelijk moest de voorzitter koningin Beatrix steeds melden dat die behoefte er niet was, en dat zij onmiddellijk kon beginnen met de consultaties van de fractievoorzitters.

De wijziging van het Reglement van Orde

Met de wijziging van artikel 139a van het Reglement van Orde in maart 2012 kwam die vraag te vervallen: dat Kamerdebat over het begin van de formatie, acht dagen na de verkiezingen, was voortaan voorgeschreven. Na de verkiezingen van 12 september 2012 zorgden toenmalig Kamervoorzitter Gerdi Verbeet en griffier Jacqueline Biesheuvel voor een procedure waarin de acht dagen tussen de verkiezingsdatum en de beëdiging van de nieuwe Kamer ordentelijk verliepen. Het hielp daarbij wel dat de leiders van VVD en PvdA, Rutte en Samsom, elkaar al op de vroege ochtend na de verkiezingen vonden.

De Kamervoorzitter bleef ook daarna zichtbaar. Eerst uittredend voorzitter Verbeet, vervolgens waarnemend voorzitter Martin Bosma, en ten slotte de door de nieuwe Kamer tot haar voorzitter gekozen Anouchka van Miltenburg verstrekten opdrachten aan en ontvingen eindverslagen van de verkenner, de informateurs en de formateur. Zij deden dat echter steevast namens de Kamer als geheel, niet op eigen titel. De verkenner, informateurs en formateur verrichtten hun arbeid in 2012 dan ook voor de Kamer, en niet voor haar voorzitter – zoals dat voorheen wel voor de Koning gebeurde.

De rol van de Tweede Kamervoorzitter

Er is dan ook geen sprake van dat de voorzitter van de Tweede Kamer de rol van ‘constitutioneel neutrum’ (de term is van de Groningse hoogleraar staatsrecht D.J. Elzinga) overneemt van de Koning, inclusief de bevoegdheid om desgewenst knopen door te hakken. Dat is ook niet wenselijk; de Kamervoorzitter is immers letterlijk partijdig (lid van een partij). Daarmee zouden de controverses die de aanleiding waren voor de procedurewijziging van 2012 in versterkte mate terugkeren.

De besluiten die de Kamer tijdens de formatie neemt, zijn die van een meerderheid (liefst een zo groot mogelijke), niet van haar voorzitter. Daarmee wordt voorkomen dat de Kamervoorzitter in onwenselijk politiek vaarwater komt.

Als op de middag van 16 maart de voorzitters van de nieuwe Kamerfracties bijeenkomen in de Rooksalon van het Tweede Kamergebouw, is de rol van de voorzitter, Khadija Arib, dan ook die van technisch voorzitter van het overleg. De voorstellen met betrekking tot het begin van de kabinetsformatie dienen niet van haar, maar van de fractievoorzitters afkomstig te zijn. Het dan te nemen besluit is ook niet het hare, maar dat van de politieke aanvoerders. Ook als het ingewikkeld wordt.

Zie ook: Kamerstuk II 2014/15, 33 410, nr. 72, uitgegeven als: Paul Bovend’Eert, Carla van Baalen en Alexander van Kessel, Zonder koningin. Het officiële evaluatierapport over de formatie van 2012 (Amsterdam 2015) p. 72-82.