Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De Partij voor de Dieren in het post-Thieme tijdperk

In oktober 2019 nam Marianne Thieme afscheid van de Kamer, waar ze dertien jaar de langzaam groeiende fractie van de Partij voor de Dieren geleid had. Ze had de partij in 2002 opgericht en acht jaar als partijvoorzitter geleid. De partij was onder haar leiding gestaag gegroeid, zowel in zeteltal als in ledental. Anno 2019 telt de partij ruim 17.000 leden en 33 gemeenteraadsleden, 20 Statenleden en vijf Tweede-Kamerleden.

Of eigenlijk vier: het Tweede-Kamerlid Femke Merel van Kooten-Arissen trad op 16 juli uit de fractie maar behield haar zetel. Zij vond de sfeer binnen de fractie ‘verziekt’ en de leiding van Thieme te autoritair, maar meende ook dat de partij zich teveel tot dierenkwesties beperkte. Kort daarna brak ook binnen het partijbestuur een conflict uit tussen de zojuist door de leden tot voorzitter gekozen Sebastiaan Wolswinkel en de rest van het bestuur. Wolswinkel, die zich als voorzitter van de jongerenorganisatie PINK kandidaat had gesteld tegen de kandidaat van het partijbestuur, wilde de partij democratischer en transparanter maken. Hij toonde voorts enig begrip voor het standpunt van Van Kooten, dat de partij haar beleid niet moest beperken tot dierenzaken. De rest van het bestuur keerde zich al spoedig tegen hem en besloot op 15 oktober hem te royeren.

Voor het eerst in haar bestaan lijkt de Partij voor de Dieren in een crisis te verkeren. Voor een (relatief) nieuwe partij kan het verlies van haar boegbeeld tegelijk met conflicten in fractie en bestuur wel eens fataal aflopen. De Lijst Pim Fortuyn (LPF) maar ook Democratisch Socialisten ’70 (DS’70), de Nederlandse Middenstandspartij (NMP) en het Algemeen Ouderenverbond (AOV) gingen aan soortgelijke conflicten ten onder. Bij D66 had het niet veel gescheeld of ze was na het vertrek van Hans van Mierlo in 1973 ook van het toneel verdwenen. Staat de PvdD een soortgelijk lot te wachten? Het lijkt me mogelijk maar niet waarschijnlijk, en wel om de volgende redenen.

In de eerste plaats heeft de partij de afgelopen 17 jaar een tamelijk stabiele organisatie en een redelijk stabiel electoraat weten op te bouwen. Er zijn geen aanwijzingen dat een groot deel hiervan geneigd is om zich van de partij lost te maken en een afsplitsing rond Van Kooten en wellicht Wolswinkel te gaan steunen – als die al van de grond zou komen.

Anders dan D66, DS’70 en LPF kan de PvdD steunen op een sociale beweging van dierenvrienden en actiegroepen als Wakker Dier. Bovendien ontwikkelt ze naar mijn idee een eigen ideologie, al is die nog weinig expliciet gemaakt. Ik heb die elders ‘animalisme’ genoemd: de visie dat mensen ook dieren zijn en niet zo wezenlijk verschillen van andere dieren; en derhalve ook niet gerechtigd om andere dieren naar believen te fokken, doden en misbruiken.1 Deze visie heeft implicaties voor verschillende sectoren van beleid, buiten dierenbescherming en landbouw. Dank zij deze ideologie ‘in statu nascendi’ vermoed ik dat de aanhangers van de PvdD een sterkere binding met de partij voelen dan bijvoorbeeld de aanhangers van ouderenpartijen en middenstandspartijen.

Wat ideologie en organisatie betreft lijkt de PvdD waarschijnlijk meer op partijen als de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) of de VVD. Ook deze drie partijen kampten in de eerste decennia van hun bestaan met interne conflicten en het vertrek van hun boegbeeld. Pieter Jelles Troelstra vertrok na ruim 20 jaar de SDAP geleid te hebben in 1925 terwijl de linkervleugel zich opmaakte om zich af te scheiden in 1928. Het GPV kampte vooral in de jaren veertig en vijftig met interne strijd over doel en strategie, haar boegbeeld Jongeling nam in 1977 afscheid. De VVD kende in de jaren zestig toen boegbeeld Oud vertrok een strijd tussen linkse en rechtse vleugels die soms tot (kleine) afsplitsingen leidde: aan de ene kant Gruijters en het Liberaal Democratisch Centrum die naar D66 verhuisden, aan de andere kant de ridder Van Rappard met zijn Liberale Staatspartij en andere rechtse splinters. Niettemin hebben SDAP, GPV en VVD het vertrek van hun boegbeeld en alle interne troebelen weten te overleven. De VVD is sinds de jaren zestig sterk gegroeid en SDAP en GPV zijn decennia later opgegaan in nieuwe partijen, PvdA en ChristenUnie, die weliswaar ups en downs kennen maar toch duurzaam blijken te zijn.

Als de Partij voor de Dieren zich aan deze voorbeelden spiegelt, zal zij dus ook het vertrek van Thieme overleven en kan ze nog vele jaren voortbestaan.

Paul Lucardie is als onderzoeker verbonden aan het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) van de Rijksuniversiteit Groningen.