Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Reglementair foutenspel rond een stemming

Er wordt heel veel gestemd in de Tweede Kamer: over moties, amendementen, wetsartikelen, wetsvoorstellen, soms over een ordevoorstel. Vooral het aantal moties is enorm toegenomen. Als al die stemmingen hoofdelijk zouden geschieden, dan zou dat uren kosten.

Daarom is er de mogelijkheid van stemmen bij handopsteken (tot 1983 was dat bij zitten en opstaan). Bij het bepalen van de uitslag gaat de Voorzitter dan uit van de fractiesterktes. Als bijvoorbeeld de regeringsfracties en één andere fractie tegen stemmen, dan is het voorstel verworpen (immers fictief dan 76-74) . Stemmen alleen de regeringsfracties tegen, dan is er een gelijk spel ('de stemmen staken'): 75-75.

1.

Onduidelijke uitslag?

Bij de stemmingen na het coronadebat op 12 augustus werd bij hand opsteken over moties gestemd. Op basis van de fysieke aanwezigheid in de zaal, maar zeker uit de presentielijst kon worden geconcludeerd, dat in die vergadering de oppositiefracties sterker vertegenwoordigd waren. Voor stemmen bij handopsteken is dat echter niet van belang.

Bij twee moties-Marijnissen stemden alle oppositiefracties voor: fictief 75 leden (en dus ook fictief 75 anderen tegen). Niettemin concludeerde de Voorzitter dat de uitslag niet kon worden vastgesteld.

Nu is het van tweeën één: ofwel je gaat uit van fractiesterkte en dan is de uitslag altijd te bepalen, omdat je immers weet hoeveel leden fracties hebben. Ofwel je gaat uit van aanwezigheid, maar dan waren deze moties aangenomen, omdat er immers meer oppositieleden aanwezig waren.

Voor beide stemwijzes gold dat de uitslag van de stemming wel degelijk kon worden bepaald, maar dat was zeker zo bij handopsteken. De stemming zou alleen onduidelijk zijn geweest als één of meer fractie verdeeld hadden gestemd. De uitslag over de moties-Marijnissen was twee keer onbeslist (75-75).

2.

Herstemming

De Vergadering was niet voltallig en op grond van artikel 72, tweede lid, moet de Voorzitter de stemming dan uitstellen tot een volgende vergadering. Datzelfde zou hebben gegolden bij de motie-Wilders. Ook toen bleek bij stemming per fractie (via handopsteken) dat de uitslag 75-75 was. Ook die stemming moest op grond van het reglement worden doorgeschoven naar een volgende vergadering.

Er was misschien toch één uitzondering denkbaar: een lid kan om hoofdelijke stemming vragen. Het reglement bepaalt overigens dat tot een hoofdelijke stemming niet kan worden overgegaan wanneer de uitslag bij handopsteken is vastgesteld. Dat wringt op z'n minst met de Grondwet, die in artikel 67, vierde lid bepaalt dat één lid - zonder beperking - om hoofdelijke stemming kan vragen.

Reglementair zou zijn geweest als de Voorzitter de herstemming naar een (eerst)volgende vergadering had doorverwezen. Als een lid toch hoofdelijk wilde stemmen, had de Kamer allereerst moeten beslissen of dat direct of in een volgende vergadering diende te geschieden. Over dat ordevoorstel had ook (hoofdelijk) gestemd kunnen worden, al kun je betogen dat dit een afwijking van het reglement zou zijn. Dat kan dan weer door één lid worden verhinderd (artikel 154 RvOTK). Uit een stemming over het ordevoorstel was vast direct gebleken dat er geen quorum meer was.

3.

Onreglementair en ongrondwettelijk

Voordat er toch hoofdelijk gestemd zou worden over de motie-Wilders schorste de Voorzitter de vergadering. Dat was om te inventariseren of er nog wel voldoende leden aanwezig waren. Dat was niet alleen een unicum, maar schuurde met het reglement. Logischer was geweest om direct hoofdelijk te stemmen: dan was direct duidelijk geworden dat er geen quorum meer was. Aangezien er geen kans was dat dit er later wel zou zijn, had de vergadering daarna gesloten moeten worden (artikel 70, vijfde lid).

Vraag is ook of alles wat in de Kamer werd gezegd na de constatering dat er geen quorum meer was (nog maar 62 leden) nog wel onderdeel van de Vergadering was. De Grondwet bepaalt immers dat een Kamer alleen kan vergaderen als er een quorum is!

Er werd niet gestemd, maar wel werden de namen van de aanwezigen vermeld. Daarvoor was evenmin een reglementaire basis. Het vermelden van de namen van aan- en afwezigen gebeurt alleen als bij de aanvang van een vergadering blijkt dat er geen quorum is (artikel 50, eerste en tweede lid).

4.

Een historisch precedent

Overigens is er voor weglopen vóór een stemming een precedent. Op 15 december 1958 liepen de fracties van PvdA en CPN uit de zaal, om stemming over een wetsvoorstel te verhinderen. Het betrof het omstreden belastingvoorstel waarvan amendering tot de val van het kabinet-Drees IV had geleid. Uit de stemming bleek dat er nog maar 73 leden aanwezig waren, waarna de vergadering werd gesloten.