De totstandkoming van een minderheidskabinet

donderdag 26 februari 2026, 14:00, Dr. Alexander van Kessel

Na een kabinetsformatie van 117 dagen heeft Nederland een nieuw kabinet. Dat is net wat langer dan de formatie van het kabinet-Kok I (1994: 111 dagen) en -Van Agt II (1981: 108 dagen) en iets korter dan de formatie van het kabinet-Drees IV (1956: 122 dagen) en -Rutte I (2010: 127 dagen). Er zat (ook optisch) in ieder geval meer vaart in dan de formaties van de vorige drie kabinetten.

Geen eenvoudige klus

Niettemin staan ook voor het kabinet-Jetten niet alle sterren bij voorbaat gunstig. Ging de afgetreden ploeg gebukt onder een flink aantal fundamentele manco’s – waarvan een volslagen gebrek aan onderling vertrouwen tussen de fracties er slechts een was – ook het kabinet-Jetten kent vanwege het minderheidskarakter een majeure disclaimer. Daarmee is niet gezegd dat het bij voorbaat een kansloze affaire is – wat achteraf gezien toch wel van het kabinet-Schoof gezegd moet worden – maar een easy ride zal het vermoedelijk niet worden. Daarvoor is het kabinet te zeer afhankelijk van steun van oppositionele fracties waarmee het, zo laat het zich aanzien, op geen enkele manier vooraf structurele afspraken heeft kunnen maken. De deals die tot meerderheiden leiden moeten dus ‘werkendeweg’ gesloten worden, in de woorden van een vroegere premier. Het bleek al tijdens het debat over de regeringsverklaring.

Op zoek naar meerderheden

Het lot van het kabinet-Jetten is dus ongewis. Dat neemt niet weg dat het (op onderdelen) tot resultaten zou kunnen komen. Er zijn in de Kamer grote meerderheden voor onder meer verhoging van de defensie-uitgaven, de bouw van meer woningen en een strenger asielbeleid. (Een grote meerderheid – zowel binnen als buiten de Kamer – is er overigens ook voor de verdere afbouw van de hypotheekrenteaftrek, maar dat heeft het coalitieakkoord niet gehaald.) Minder eenvoudig zal het zijn om meerderheidssteun te vinden voor de moeilijke financiële maatregelen die ervoor zorgen dat de grote uitgaven betaald kunnen worden. Fracties als die van GL-PvdA, JA21, SGP en ChristenUnie hebben de deur niettemin niet dichtgegooid. Hun steun zal echter een prijs hebben – of beter: prijzen; ze hebben immers allemaal andere wensen. De puzzel is complex.

Blokkades van twee kanten

Een belangrijk verschil met de kabinetsformatie van 2023/24 was de aanmerkelijk betere sfeer waarin de onderhandelende fracties tot een akkoord probeerden te komen. Dat was opmerkelijk, gezien het chagrijn waarmee de kabinetsformatie begon. VVD-leider Yeşilgöz hield onverzoenlijk vast aan de uitsluiting van GL-PvdA als mogelijke regeringspartner, en verkiezingsoverwinnaar Jetten (D66) bleef de route naar een kabinet met JA21 afhouden. Beide blokkades waren, eenmaal afgekondigd, niet meer op te heffen zonder fors politiek gezichtsverlies: Yeşilgöz had een catastrofe bij de verkiezingen van november immers slechts kunnen afwenden door haar categorische afwijzing van het ‘geradicaliseerde’ GL-PvdA, en Jetten had een nederlaag bij de volgende verkiezingen al kunnen inboeken indien hij toch regeringssamenwerking met JA21 was aangegaan. Partijpolitieke overlevingsdrang ging niet dus toch ‘even’ boven het algemeen belang. De formatie eindigde als gevolg hiervan in een coalitie zónder GL-PvdA en zónder JA21 – en dus met een minderheidskabinet.

Van uitsluiten naar uitbreiden

Gold in het verleden nogal eens het adagium ‘formeren is elimineren’ (waarbij meerdere coalitieopties meer of minder serieus werden onderzocht tot er één variant als de onvermijdelijke overbleef), dit keer werd een andere route gevolgd. Geconfronteerd met de blokkades concludeerde verkenner Koolmees dat de enige optie was om de twee partijen van het midden die zich in de campagne hadden laten voorstaan op een meer optimistische politieke cultuur, te laten beginnen met een inhoudelijke ronde. In de volgende fase (onder informateur Buma) stelden de twee fracties een beleidsagenda op en bleek de VVD voor het duo een logische partner. Onder informateur Letschert werd de D66/CDA-agenda flink in VVD-richting bijgesteld, maar concludeerden de drie fracties tevens dat aansluiting van JA21 niet mogelijk was.

Onvermijdelijke conclusie

Het minderheidskabinet werd daarmee onvermijdelijk. Het was een conclusie die Rutte, Kaag en Hoekstra in het najaar van 2021 nog niet hadden durven te trekken. Vanwege de impasse die tijdens die formatie was ontstaan omdat VVD en CDA niet met de ‘wolk van linkse partijen’, GroenLinks en PvdA niet los van elkaar en D66 niet met de ChristenUnie (in ‘de roestige auto’) in een kabinet wilden, werd toen Remkes als informateur op pad gestuurd om minderheidscoalities te onderzoeken. Het werd een frustrerende onderneming voor de ervaren Groningse probleemoplosser: dezelfde partijen die hem deze opdracht hadden meegegeven, bleken toen het concreet moest worden helemaal niet geporteerd voor zo’n variant. Er kwam tandenknarsend alsnog een meerderheidscoalitie tot stand (het kabinet-Rutte IV), waarin de samenwerking moeizaam verliep en dat al na anderhalf jaar strandde.

Afwachten

Jetten, Bontenbal en Yeşilgöz durfden het begin 2026 in ieder geval wél aan. Uit nood geboren, weliswaar: de andere coalitieopties (met GL-PvdA óf met JA21) waren politiek onbegaanbaar. Misschien speelde ook wel mee dat de laatste twee meerderheidskabinetten (-Rutte IV en -Schoof) niet bepaald een doorslaand succes waren geweest. Het vertrouwen van de drie in de bereidwilligheid van een aantal andere ‘constructieve’ fracties is dus min of meer door de politieke context opgelegd. De komende tijd zal blijken of sprake was van ijdele hoop.


Dit artikel verscheen ook op de formatieblog van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis.