Ook ‘Aan de slag’ met en voor de rechtsstaat? 

zaterdag 28 februari 2026, 8:39, column van Prof.Mr. Aalt Willem Heringa

 In het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten ontbreekt in de inleiding een directe verwijzing naar de werking van de democratie en de bestendigheid van de rechtsstaat, hoewel daarover onder het vorige kabinet nogal wat te doen was geweest. Alle reden om te kijken wat daarover wel in het coalitieakkoord zelf is opgeschreven. En dat natuurlijk ook in het besef dat het coalitieakkoord maar een gedeeltelijke werkelijkheid is, omdat alle plannen via wisselende steun in beide Kamers moeten worden gerealiseerd, zodat bij lange niet duidelijk is wat de plannen nu zoal waard zijn. Voorbeelden van plannen over de werking van de democratie en de bestendigheid van de rechtsstaat (waarover hierna meer) zijn de voornemens over (onderzoek naar) de invoering van een kiesdrempel. 

Het goede is dat in de tweede inhoudelijke paragraaf, getiteld ‘Veilig Nederland, sterke samenleving’, van de vier onderdelen er twee zijn gewijd aan ‘Een sterke democratie’ en aan ‘Veilig zijn in een sterke rechtsstaat’. De titel van deze tweede paragraaf leidt een beetje aan hetzelfde euvel als destijds de benaming ‘ministerie van Veiligheid en Justitie’, waarvan velen toentertijd vonden dat ‘Justitie en Veiligheid’ een betere volgorde was (hetgeen in de afgelopen periodes ook weer de bewoording werd).  

Democratie 

Onder de titel democratie staan onder meer de volgende plannen: vergroting van de weerbaarheid van de democratie alsook het beter laten werken van voor de democratie belangrijke elementen (Wet open overheid, lobbyregister). Alleen al het voornemen van invoeren van checks en balances is een prijzenswaardig winstpunt.  

Dat geldt eveneens voor het oppakken en verder brengen van enkele plannen van de Staatscommissie Remkes (Staatscommissie parlementair stelsel) uit 2018. Ten aanzien van de Eerste Kamer betreft dit ten eerste projecten van lange adem zoals het kiesstelsel en het terugzendrecht; de Eerste Kamer heeft hierin ook een stem.  Ten tweede gaat het om de Verenigde Vergadering ten tijde van de tweede lezing van de wijzigingen van de Grondwet; aangezien het in de rede ligt dat de macht van de Eerste Kamer zal worden teruggedrongen in die voorstellen, kan een dergelijk voorstel waarschijnlijk op minder sympathie van de Eerste Kamer rekenen.  

Een verhoging van de kiesdrempel voor de Tweede Kamer en een vergroting van het gewicht van voorkeursstemmen (wat zonder succes strandde) zijn eveneens ambities van het kabinet-Jetten.  

De Wet op de politieke partijen (Wpp) zit in de pijplijn . Het voorstel voor een Wet op de politieke partijen is ingediend onder het vorige kabinet en aanhangig in de Tweede Kamer, inclusief een voorgesteld amendement Sneller en Tseggai met betrekking tot het stellen van democratische eisen aan de interne organisatie.  

Ook gaat het dan om het na de val van het kabinet-Schoof controversieel verklaarde grondwetsvoorstel aangaande het terugzendrecht.   

Vooral de plannen voor een onderzoek naar een hogere kiesdrempel blijken al gestrand; er staat ‘Invoering van een kiesdrempel’, maar bedoeld zal zijn een hogere kiesdrempel voor de Tweede Kamer - er is n.l. al een kiesdrempel en die is gelijk aan de kiesdeler -. Dat voorstel, zij het ongetwijfeld goed bedoeld en rationeel, is natuurlijk erg ongelukkig (gebleken) als je als kabinet de komende jaren op zoek moet naar zoveel mogelijk steun van kleinere partijen. En dat bleek al: de meerderheid sprak zich ertegen uit en uit de reacties bleek dat zo’n plan niet erg behulpzaam is voor goede verhoudingen.  

Daarvan kun je veel vinden, maar het is natuurlijk wel erg voorspelbaar. Er zijn nu immers zijn nu inmiddels zoveel erg kleine partijen dat een kiesdrempel misschien wel nuttig kan zijn, maar uiteraard ook op brede tegenstand stuit: BBB, Volt, 50PLUS, PvdD, CU, SGP, SP, DENK waren hiervan dan ook niet erg gecharmeerd en kregen steun van een meerderheid.  

Lastig is tevens dat een iets hogere kiesdrempel, in de range van 2 à 4 zetels, nog wel zou kunnen zonder de Grondwet te wijzigen, maar dat zou evenzeer minder effectief zijn voor het bewerkstelligen van een effectiever parlement dan bijvoorbeeld een in Europa gebruikelijke 5% (zo’n 7 zetels). Of is 5% nog steeds compatibel met de eis van de Grondwet dat verkiezingen op grondslag van evenredige vertegenwoordiging dienen te zijn? Het Duitse kiesstelsel met een kiesdrempel van 5% wordt immers ook nog wel als evenredig gekenschetst. Maar wat daarvan zij: het gaat er niet van komen, of het moest zijn als onderdeel van een groot pacificatie-achtig plan.  

Wat ik mis bij versterking van (een weerbare) democratie ziet op vastlegging van wat dat inhoudt. Interne democratie van politieke partijen is al via een amendement aan de orde bij de Tweede Kamer, dus mogen we veilig aannemen dat de coalitie ook daarop mikt. 

Waarom schaffen we verder de beoordeling van de geloofsbrieven door de Staten-Generaal zelf niet af en leggen we de beoordeling en vastlegging van de juistheid van de uitslag exclusief in handen van een onafhankelijke instantie? 

Actueel is de vraag geworden hoe om te gaan met een negatief advies van de Raad van State (RvS): zou daar niet een procedure kunnen worden ontwikkeld, t.w. in die zin dat het door de RvS negatief beoordeelde voorstel slechts na wijziging conform het advies van de RvS, en na wederom voorlegging aan de RvS, mag worden ingediend en zelfs dus pas na wijziging van het oorspronkelijke negatieve RvS-dictum naar de Staten-Generaal mag? 

Zou het de moeite waard zijn te overwegen dat vervolging van Kamerleden mag plaatsvinden niet slechts op vraag van de Tweede Kamer, maar na opheffing van de immuniteit door die Kamer? 

 En dan weer terug naar het voorstel voor een hogere kiesdrempel. Daardoor wordt het stelsel mogelijk gestroomlijnder en effectiever hetgeen ook zou kunnen doorwerken op een eenvoudigere samenstelling van een kabinet. Stroomlijning en uitsluiting van kleinere partijen en tegenstem maken mogelijk ook de kans groter dat een meerderheid de macht kan grijpen. Het voordeel van het redelijk absolute systeem van evenredige vertegenwoordiging zoals we dat kennen, is voorzeker een barrière tegen ontwikkelingen zoals hebben/hadden plaatsgevonden in Polen, Hongarije en de VS. Dat is een voordeel van versnippering. 

Rechtsstaat 

Ten aanzien van de subparagraaf over de rechtsstaat pik ik de onderdelen eruit die puur over de rechtsstaat gaan en laat ik de plannen onder de noemer ‘veilig zijn’ (veilige samenleving, effectieve straffen, nuchter beleid en stop geweld tegen vrouwen) buiten beschouwing. 

In deze paragraaf valt in ieder geval op dat niet verwezen wordt naar het eindrapport van de Staatscommissie rechtsstaat (commissie-Kummeling) uit 2024 en de daarin gedane aanbevelingen. Een van de onderdelen daarvan was het plan om wat inmiddels is gaan heten een Planbureau voor de Rechtsstaat in te richten. Dat lijkt dan ook inmiddels van de baan.  

Het Planbureau voor de Rechtsstaat was misschien ook wel een wat groots aangezet plan, maar een structuur à la de Venice Commission, zoals die binnen de Raad van Europa opereert, lijkt nog niet zo’n gek idee om het belang van de rechtsstaat te onderstrepen en via periodiek onderzoek langs een meetlat te leggen. 

Dit onderdeel over de rechtsstaat bevat drie thema’s: de aanpassing van de Wet openbare manifestaties (Wom), teneinde iets te doen aan grootschalige verstoringen van de openbare orde; het bouwen van een schot tussen rechtspraak en politiek (de benoeming van leden van de Raad voor de Rechtspraak wordt onafhankelijk van de minister gemaakt en de rechtspraak krijgt een aparte begroting); constitutionele toetsing aan de klassieke grondrechten in de Grondwet. 

Over de Wom is al veel geschreven, zo onder meer in een WODC-advies over het recht om te demonstreren in de democratische rechtsstaat van eind december 2025 . Uitkomst van dat advies was dat ingrijpende aanpassingen onnodig en weinig doeltreffend zijn. Immers het overgrote deel van betogingen verloopt vreedzaam, en als er (ernstige) ongeregeldheden of verstoringen zijn, gaat het daarbij om niet aangemelde of akkoord bevonden betogingen of het is ‘gewoon’ geweld.  

En inderdaad: waarom sleutelen aan het demonstratierecht als wegblokkades, rellen, tijdens oudjaar met vuurwerk op hulpverleners en politie schieten, op zichzelf al verboden zijn en sleutelen aan de demonstratievrijheid daar niets of weinig aan verhelpt? De vraag is dus of de oorzaak van grootschalige verstoringen aan het demonstratierecht ligt en daarbinnen met beperkende maatregelen kunnen worden opgelost. 

De plannen aangaande de Raad voor de Rechtspraak lijken mij gepast en to the point. Maar er is denk ik meer te doen: waarom bijvoorbeeld voor de benoeming van leden van de Hoge Raad, een rol voor de Tweede Kamer (art.118 lid 1 Grondwet) handhaven? Nu heeft bemoeienis vanuit de Tweede Kamer slechts incidenteel bij een enkele fractie tot beroering geleid, maar de vraag is natuurlijk of de kans niet moet worden voorkomen dat vanuit de Tweede Kamer partijpolitiek gaat worden bedreven ten aanzien van Hoge Raad-benoemingen (vooral wanneer er sprake gaat zijn van constitutionele toetsing). 

Biedt art. 118 Grondwet niet een opening voor parlementaire meerderheden om het benoemingsproces te politiseren, en, nog erger, naar hun hand te zetten? Zou de afwezigheid van Tweede Kamer-inbreng niet de voorkeur verdienen boven de huidige mogelijk risicovollere procedure die in theorie kan leiden tot ontsporingen? 

De rechterlijke macht en, zo bleek afgelopen jaar na opmerkingen vanuit de BBB, ook de Raad van State weten zich onder het vergrootglas zodra er uitspraken en adviezen zijn die een politieke prioriteit kritisch beoordelen. Dan wordt vaak ook meteen de link gelegd met de samenstelling van deze instanties. Mij dunkt dat de rechterlijke macht daartegen dient te worden beschermd. In dezelfde lijn ligt ook het Initiatiefvoorstel-Sneller Wet verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid openbaar ministerie (na aanvaarding in de Tweede Kamer nu aanhangig in de Eerste Kamer) om de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van het Openbaar Ministerie te schrappen. 

Het voorstel voor constitutionele toetsing lijkt afscheid te nemen van het constitutionele hof, zoals gepropageerd door NSC. De planning is nu om art. 120 Grondwet zo aan te passen dat het de rechter ook gaat worden toegestaan om wetten van regering en Staten-Generaal aan de klassieke grondrechten te toetsen.  

Daarvoor is veel te zeggen: geen kostbare extra instantie als een constitutioneel hof. Dat omvat ook het erkennen dat toetsing aan de Grondwet en aan verdragen door elkaar kan lopen en dat rechters toetsing van formele wetten aan verdragen al zeer zorgvuldig doen, hetgeen ook geldt voor toetsing van andere regels dan formele wetten aan de Grondwet.  

Maar deze plannen vereisen wel dat de tekst van de klassieke grondrechten wordt aangepast, met in ieder geval clausules vergelijkbaar aan de beperkingsclausules in het EVRM en het EU Handvest (noodzakelijkheid in een democratische samenleving ter bescherming van fundamentele belangen). Zonder zo’n aanpassing schieten we er weinig mee op. 

Tweede opmerking is dat de toetsing aan algemene rechtsbeginselen ontbreekt als onderdeel van de grondwettelijke toetsing en daarbij zeker zou passen. 

Het zou wel een mirakel zijn als het kabinet een dergelijk voorstel in eerste lezing door beide Kamers zou kunnen loodsen. Eerdere plannen, zoals het initiatiefgrondwetsvoorstel-Halsema, sneuvelden omdat de VVD na de eerste lezing plotsklaps omging en geen voorstander meer bleek van toetsing aan klassieke grondrechten. Nu de VVD binnenboord is, kunnen we weer hoop hebben: een voorstel ligt al kant en klaar, namelijk het eerdere initiatiefgrondwetsvoorstel-Halsema (met het destijds door beide Kamers in eerste lezing aanvaarde voorstel), inhoudende de toevoeging aan art. 120 van een tweede lid:  

Wetten vinden evenwel geen toepassing indien deze toepassing niet verenigbaar  is met de Algemene bepaling, de artikelen 1, 2, derde en vierde lid, 3 tot en met  9, 10, eerste lid, 11 tot en met 17, 18, eerste lid, 19, derde lid, 23, tweede, derde,  vijfde, zesde en zevende lid, 54, 56, 99, 113, derde lid, 114, 121 en 129, eerste lid  en met fundamentele rechtsbeginselen.  

(De onderstrepingen zijn mijn toevoeging, als uitvloeisel van de  rechtsontwikkelingen nadien en als uitvloeisel van het nieuwe openingsartikel in  de Grondwet).  

Op die manier kunnen we snel een extra controle inbouwen, voor die gevallen dat een meerderheid te ver gaat in zijn ijver om daadkracht uit te stralen ten koste van fundamentele waarborgen. En wordt de Grondwet een sterkere barrière tegen beleid en wetgeving waardoor de rechtsstaat zou kunnen worden aangetast.