N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Veranderingen in het koningschap
Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 29 oktober 2025 werd D66 de grootste partij in de Tweede Kamer en vervolgens trad haar politiek leider Rob Jetten aan als premier van het nieuwe kabinet. De vraag is welke gevolgen deze politieke ontwikkelingen zullen hebben voor de monarchie en het koningschap. D66 is immers traditioneel de partij die zich uitgesproken sterk maakt voor staatkundige hervormingen, waaronder hervormingen die de monarchie en het koningschap betreffen.
In het verleden heeft D66 bij herhaling het voortouw genomen om dergelijke hervormingen te realiseren. Ruim 25 jaar geleden nam D66-fractievoorzitter Thom de Graaf het initiatief om ‘een drastische modernisering van het koningschap’ te bepleiten, waarbij de Koning door het realiseren van een grondwetsherziening niet langer deel zou uitmaken van de regering, niet meer betrokken zou zijn bij de kabinetsformatie, en uit de Raad van State zou treden. De hervormingsplannen van Thom de Graaf oogstten destijds vooral kritiek. De Nederlandse politiek was duidelijk nog niet toe aan veranderingen in het koningschap. De toenmalige minister-president Kok (PvdA) liet in 2000 onmiddellijk weten niets te willen wijzigen in de staatsrechtelijke positie van de Koning.1) In het parlement kreeg D66 weinig steun. De reacties in den lande waren vooral negatief. De kwestie werd min of meer afgedaan met een notitie van de minister-president waarin hij de status quo van de monarchie verdedigde.2)
Na het initiatiefvoorstel in 2000 zijn vanuit de Tweede Kamer diverse initiatieven ontplooid om het koningschap en de monarchie te moderniseren. In 2010 stelden de Tweede Kamerleden Ronald van Raak (SP) en Pierre Heijnen (PvdA), ditmaal zonder veel ophef, de positie van de Koning opnieuw ter discussie.3) Maar ook de zittende premier Mark Rutte voelde er niet veel voor veranderingen in het koningschap te entameren. Hij presenteerde een notitie ‘Visie op het koningschap’, maar zonder visie.4) De Tweede Kamer drong opnieuw niet aan op veranderingen. In 2011 dienden twee Tweede Kamerleden van de PVV initiatiefvoorstellen in tot grondwetsherziening (en wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk), gericht op het doorvoeren van de eerder door Thom de Graaf voorgestelde hervormingen.5) Gek genoeg werden deze lang niet slecht doordachte wetsvoorstellen niet eens door de Tweede Kamer in behandeling genomen. De Raad van State bracht nog wel een (afwijzend) advies uit dat in 2022 openbaar werd.6)
Hoewel grondwetsherzieningen inzake het koningschap in de afgelopen 25 jaar uitbleven, hebben zich enige belangrijke ontwikkelingen voorgedaan inzake de staatsrechtelijke positie van de Koning. In 2012 tekende zich een ingrijpende verandering af ten aanzien van het koningschap. In dat jaar namen de D66-Tweede Kamerleden Gerard Schouw en Boris van der Ham het voortouw om de Tweede Kamer meer invloed te geven op het formatieproces. In 2012 besloot de Tweede Kamer door een wijziging van het Reglement van Orde (art. 139a RvOTK, nu art. 11.1 RvOTK) voortaan zelf de kabinetsformatie ter hand te nemen, en in plaats van de Koning zelf (in)formateurs aan te wijzen. Zo verloor de Koning zijn van oudsher centrale, initiërende rol bij de kabinetsformatie.
Daarnaast is het van belang te vermelden dat bij herhaling bevestigd is in notities van regeringszijde over het koningschap dat de Koning slechts een bescheiden adviserende, zo men wil ceremoniële, rol vervult in de regering. In het verlengde hiervan verklaarde Willem-Alexander in 2013 in de aanloop naar zijn inhuldiging geen bezwaar te hebben tegen een toekomstig ceremonieel koningschap.7) Het een en ander heeft geleerd dat een modernisering van het koningschap in de hedendaagse parlementaire democratie ook zonder zware grondwetsherzieningsprocedures gestalte kan krijgen.
De laatste tien jaar is de politieke aandacht op het punt van modernisering van het koningschap verschoven naar kwesties betreffende de financiering van het koningschap. In de Tweede Kamer is de afgelopen jaren herhaaldelijk betoogd dat de bestaande wettelijke regeling en de ministeriële verantwoordelijkheid voor de uitgaven voor het koningschap tekortschieten. In 2021 heeft de Tweede Kamer in de motie-Leijten (SP)/Wassenberg (PvdD)8) de regering verzocht om een algehele herziening van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis ter hand te nemen. In 2024 nam de Tweede Kamer de motie-Sneller (D66)/Six Dijkstra (NSC) aan, waarin de regering werd verzocht de publieke verantwoording over de uitgaven voor het Koninklijk Huis ten laste van de rijksbegroting substantieel te verbeteren. Daarnaast nam de Tweede Kamer al in 2015 een motie-Van Raak (SP) c.s. aan om de belastingvrijdom van de Koning (art. 40 Gw) ongedaan te maken.9) In 2024 nam de Tweede Kamer een motie-Van Nispen (SP) aan om de vrijstelling van inkomsten-, erf- en schenkbelasting op te heffen voor het Koninklijk Huis.10) Premier Rutte toonde zich daarbij consequent onwillig om deze kwesties op te pakken. Hij gebruikte daarbij zelfs als argument dat grondwetsherziening geen zin had omdat een tweederdemeerderheid voor grondwetsherziening niet op voorhand verzekerd was!
Niettemin is duidelijk geworden dat de Tweede Kamer op het terrein van de financiering van het koningschap veranderingen voorstaat, waarbij D66 samen met andere fracties het voortouw heeft genomen. Nu D66 als grootste regeringspartij in het kabinet zitting heeft genomen en haar politiek leider als premier de eerstverantwoordelijke bewindspersoon voor kwesties aangaande de monarchie is, doet zich een nieuwe kans voor om op deze terreinen een verdere modernisering van het koningschap ter hand te nemen. Daarbij valt niet alleen te denken aan een vernieuwing van de financiering van het koningschap en afschaffing van de belastingvrijdom. Ook het vraagstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid voor de leden van het koninklijk huis verdient aandacht, gelet op ervaringen uit het recente verleden.11) En ten slotte is het te overwegen de formatieprocedure bij wet te regelen in plaats van bij Reglement van Orde, zodat formeel bij wet komt vast te staan dat (en hoe) de Tweede Kamer – en niet de Koning (zoals sommigen nog steeds bepleiten) – (in)formateurs aanwijst en de verantwoordelijkheid draagt voor het formatieproces.12)
Paul Bovend’Eert is em. hoogleraar staatsrecht Radboud universiteit Nijmegen
-
1)NRC Handelsblad 8 april 200, p. 1.
-
2)Kamerstukken II 1999/00, 27409, nr. 1.
-
3)Zie Kamerstukken II 2010/11, 32500, nr. 4; notitie van premier Rutte Kamerstukken II 2020/11 32791, nr. 1; Voorlichting Raad van State, Kamerstukken II 2020/11, 32791, nr. 1, p. 7 e.v.
-
4)Kamerstukken II 2010/11, 32791, nr. 1.
-
5)Zie Kamerstukken II 2010/11, 32866, 32867, 32 865 ( R1957). Opvallend genoeg zijn de voorstellen, hoewel ze behoorlijk doortimmerd waren, nooit in behandeling genomen. De Raad van State bracht er wel een advies over uit dat in 2022 openbaar werd. Zie Raad van State 11 januari 2012, W01.11.0360/I/K.
-
6)Zie Raad van State 11 januari 2012, W01.11.0360/I/K.
NRC Handelsblad 8 april 200, p. 1.
-
7)Interview met NOS/Nieuwsuur en RTL nieuws van 17april 2013.
-
7)Kamerstukken II 1999/00, 27409, nr. 1.
-
8)Kamerstukken II 2021/22, 35925-I, nr. 7
-
9)Kamerstukken II 2021/22, 35925-I, nr. 7
-
10)Kamerstukken II 2021/22, 35925-I, nr. 7
-
11)Vgl. o. a. positie van prinses Laurentien bij de afhandeling van de toeslagenaffaire.
-
12)Vgl. hierover Th. C. de Graaf, De smalle marges van de kabinetsformatie, TvCR 2019, p. 227 e.v.