Pro-Europees? Nederland bekijkt Europese integratie vooral zakelijk

maandag 18 december 2023, 13:00, column van Jan Schinkelshoek

Het was misschien geen donderslag bij heldere hemel, maar een schok was het wel: de uitslag van het Nederlandse referendum over een Europese constitutie in 2005. Meer dan 60 procent wees zo’n grondwet af. Niet alleen het buitenland keek verbaasd op.

De latere Eurocommissaris Frans Timmermans was wekenlang van slag. Wat was er loos met een Europees gezind land als Nederland, een land dat zo profiteerde van de Europese integratie?

Die verwondering was ook toen al minstens zo verbazingwekkend als het gemak waarmee ‘Den Haag’ sindsdien de stemming heeft geprobeerd te bagatelliseren.

Te lang, te gemakkelijk en te vanzelfsprekend is men er vanuit gegaan dat Nederland en de Nederlanders als één man achter de Europese eenwording stonden. Zo Europees is Nederland niet, zo Europees was Nederland niet. Het vond Europa ‘best belangrijk’- niet meer, niet minder. De Nederlandse Europese opstelling is van meet af aan vooral zakelijk bepaald geweest.

Diepe wortels

Dat heeft diepe wortels. Als vrijhandelsnatie met een groot koloniaal imperium, richtte Nederland eeuwenlang de blik vooral overzee. Die maritieme traditie gold als iets typisch Hollands. Iedereen kreeg het vanaf de lagere school met de paplepel ingegoten.

Zo verdiende Nederland ook z’n geld. Het land had overzee te grote zakelijke belangen om zich op het continent te laten ‘opsluiten’. Alleen al het belang bij Indië vlak voor de tweede wereldoorlog wordt op 15 tot 20 procent van het nationale inkomen geschat. Banken en bedrijven [ABN/Nederlandse Handelmaatschappij, Shell/Koninklijke Olie] hadden ‘koloniale’ wortels, bedrijfstakken [textiel, scheepvaart, zuivel] deden grote zaken overzee.

Of zoals minister-president Ruud Lubbers aan de vooravond van het Verdrag van Maastricht aan de Franse president François Mitterrand uitlegde: ‘Jullie, Fransen, kijken naar het oosten, naar wat zich achter de Rijn afspeelt. Wij, Nederlanders, kijken naar het westen, over de zee.’

Er paste een open, neutrale opstelling bij.

Toen na de Eerste Wereldoorlog ook in Nederland stemmen voor enigerlei vorm van Europese samenwerking op gingen, ging de zakelijke elite op de ‘rem’ staan. Vanzelfsprekend was het grote bedrijfsleven voor het slechten van handelsbarrières op het Europese continent, Duitsland bleef ook na de oorlog een te belangrijke handelspartner, maar Europese blokvorming mocht niet ten koste gaan van de handel met ‘ons’ Indië - en de rest van de wereld. Idealistische pogingen om tot Europese samenwerking te komen liepen, zeker vanaf 1936, dood op die insteek.

Tweede optie

Pas na de dekolonisatie van Indonesië [vanaf 1949] had ‘Den Haag’ geen andere keus. Ook onder druk van de ‘uitgebroken’ Koude Oorlog, viel de regering terug op de tweede optie is genoemd: Europese samenwerking, waarbij het een Europa voor ogen stond als een zo groot mogelijk vrijhandelsblok, bij voorkeur inclusief het gelijkgestemde Groot-Brittannië en zonder de Atlantische samenwerking [NAVO] op het spel zetten. Het nationale economisch belang was een belangrijke drijfveer achter die heroriëntatie. Met name de vooroorlogse generatie dacht zo een herhaling van de crisis van de jaren ’30 te voorkomen.

De omslag ging niet zonder slag of stoot. Hoewel na 1945 de ‘Europese gedachte’ veel enthousiasme losmaakte - niet alleen in de Tweede Kamer - hielden achtereenvolgende ministers van Buitenlandse Zaken de boot af. Het mocht niet (te veel) ten koste gaan van de nationale zelfstandigheid. Kamermoties werden die zin omgebogen.

Bij de totstandkoming van de EGKS, voorloper van de Europese Unie, voorkwam ‘Den Haag’ dat de Hoge Autoriteit te veel bovennationale bevoegdheden kreeg. In plaats van supranationalisme, zette de regering zette op intergouvernementele samenwerking, samenwerking waarop lidstaten het laatste woord behielden. Iemand als premier Drees, minister-president van 1948 tot 1958, was huiverig voor al te veel overdracht van zeggenschap aan ‘Europa’.

Vanaf het midden van de jaren ‘50 - ankerpunt: de Verdragen van Rome (1957), oprichting van de EEG - bewoog Nederland mee met de Europese integratie. Opnieuw: het economisch eigenbelang woog zwaar. De Europese landbouwpolitiek legde Nederland en de Nederlandse land- en tuinbouw geen windeieren. ‘Europa’ subsidieerde de Nederlandse boer die zich meer dan ooit van een grote afzetmarkt verzekerd wist.

‘Eurofiele periode’

Wie dacht dat het pleit was beslecht, vergiste zich. Achter de schermen ging het debat over het karakter van Europa - supernationaal of niet? - door. Binnen de intellectuele elite werden met het verstrijken van de jaren steeds meer vraagtekens geplaatst achter het ideaal van het federatieve Europa.

Politiek ondervonden die aarzelingen nauwelijks weerklank.

In de jaren ’70 en ’80 leek Nederland tot een van drijvende krachten achter de Europese integratie te behoren. Wederom: uit welbegrepen eigenbelang. De economie profiteerde volop van de Europese - uitgebreide - markt, iets dat in de economische crisisjaren [1973-1977, 1979-1986] zwaar woog. Sinds de Britse toetreding [1973] voelde Nederland zich in het Europa van de Negen meer op z’n gemak, minder afhankelijk van de luimen van de Frans-Duitse as.

En na de val de Berlijnse Muur [1989] was het, ook naar het idee van ‘Den Haag’, van eminent belang om het nieuwe, grote Duitsland hechter dan ooit in Europa in te vlechten [‘Einbindung’]. Dat verklaarde het enthousiasme voor het - inderdaad - vergaande Verdrag van Maastricht [1990]. Tot aan de totstandkoming van de Ene Europese Markt [1992] maakte Nederland z’n ‘meest eurofiele periode’ door. Zelfs in die jaren was het supranationalisme voor ‘Den Haag’ instrumenteel: geen doel op zich, maar een middel op het doel - gezamenlijke markt - te bereiken.

Kanteling

Vanaf het midden van de jaren ‘90 kantelde de stemming - ook politiek. Nederland vond zichzelf, als een van de 28 lidstaten, terug in een unie die steeds meer trekken begon aan te nemen een politieke federatie: een munt, een vlag, wellicht ook nog een grondwet. Dat Europa maakte zich, ook onder druk van nieuwe lidstaten, breder, ook over zaken die niet hoog op het Haagse prioriteitenlijstje stonden.

Onder die omstandigheden sloeg het voortgaande debat onder intellectuelen over het karakter van de Europese samenwerking over naar de nationale politiek. In de Tweede Kamer stelde Frits Bolkestein, fractieleider van regeringspartij VVD, harde grenzen aan de integratiepolitiek: geen Europese federatie. Zijn partijgenoot Gerrit Zalm, minister van financiën, startte een campagne om de Nederlandse bijdrage aan de Europese Unie te verlagen.

Die nauwelijks verholen euroscepsis werd op de politieke rechterflank [Fortuyn, Wilders] vanaf de eeuwwisseling een politieke doctrine - om niet meer te verdwijnen, zoals ook uit programma’s op weg naar de novemberverkiezingen bleek.

Die scepsis zette de toon in het steeds meer publiek wordende debat over Europa, een debat dat ook buiten wetenschappelijke tijdschriften werd gevoerd. ‘Europa’ werd onderwerp van talkshows. Meer aandacht voor wat in Europa gebeurde was iets dat Europeanen-van-het-eerste-uur altijd hadden bepleit. Maar in deze vorm viel het niet mee. De toon in de media werd steeds kritischer. Europa werd, niet alleen ter rechterzijde, afgeschilderd als een superstaat.

Die euroscepsis viel, misschien niet toevallig, samen met een andere ontwikkeling: een zoektocht naar de eigen nationaliteit. Nederland ging vanaf het midden van de jaren ‘90 op zoek naar zichzelf. Er kwam een Nationale Canon, er moest een Nationaal Historisch Museum komen, er gingen stemmen op om het Wilhelmus op school verplicht te stellen. Toen prinses Máxima iets te losjes beweerde dat ‘de’ Nederlander niet bestond, kreeg ze er publiekelijk van alle kanten van langs.

Trend

In dat klimaat kon het referendum over de Europese grondwet in 2005 - ook nog eens lauw verdedigd door de regering - bijna niet goed aflopen. Natuurlijk was die uitkomst niet voorbeschikt. Maar het paste bij de trend, al ver voor de oorlog ingezet, waarbij ‘Europa’ vanuit Nederland, per saldo, hoofdzakelijk zakelijk wordt benaderd. Als er een batig saldo is, doet Nederland zonder veel morren mee. Wordt meer gevraagd, dan gaan de wenkbrauwen snel omhoog - en begint het land over de hoge contributie te klagen.

De uitkomst van het referendum in 2005 had, afgaande op de voorgeschiedenis, minder een verrassing behoeven te zijn. Er is door de jaren heen, soms luider, dan weer meer ingehouden, een ondertoon van afstandelijkheid geweest, een ondertoon die in hoge mate zakelijk bepaald werd. Wat houden we er aan over?

Daarom moet ‘Den Haag’ niet verrast doen als Eurosceptische geluiden steeds weer de kop zullen opsteken. En niet alleen bij Wilders’ PVV.

Zo pro-Europees is Nederland niet.

Jan Schinkelshoek, oud-lid van de Tweede Kamer [CDA] en hoofdredacteur van de Haagsche Courant, is hoofdredacteur van De Hofvijver.