N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
“Geen gezeik, luisteren naar de wijk”. De Haagse ombudspolitiek in perspectief
Richard de Mos beheerst al jarenlang de Haagse politiek – niet die van de Tweede Kamer, maar van het IJspaleis, het stadhuis van Den Haag. Sinds De Mos in 2012 de PVV verliet, zette hij de Haagse gemeentepolitiek naar zijn hand met een eigen raadsfractie, inmiddels Hart voor Den Haag geheten. Dit deed hij onder het Haagse Harry-achtige motto “Geen gezeik, luisteren naar de wijk”.1) In sjiekere bewoordingen noemt De Mos dit ‘ombudspolitiek’: een vorm van volksvertegenwoordiging waarbij politici proberen om vanuit nauwe relaties met burgers hun praktische problemen op te lossen. Met die belofte werd Hart voor Den Haag in 2018 de grootste partij. Sindsdien stond De Mos echter vooral in de schijnwerpers wegens een grote corruptiezaak, die hem in 2019 dwong zijn wethouderschap neer te leggen. Volgens sommigen een logisch gevolg van de cliëntelistische verhoudingen die zijn ombudspolitiek creëerde, volgens De Mos “een coup” om zijn partij kapot te maken.2) In 2024 werd De Mos ook in hoger beroep vrijgesproken van de belangrijkste aanklachten. De zaak lijkt de populariteit van De Mos niet te hebben aangetast, integendeel: in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart peilde Ipsos I&O Hart voor Den Haag op 14 van de 45 zetels, ruim boven de concurrerende nationale partijen.3)
Maar wat onderscheidt de ombudspolitiek van De Mos van het democratische ideaal van andere partijen, en hoe nieuw is dit type politiek eigenlijk? Hoewel De Mos de term heeft gemunt, is hij niet de eerste Haagse lokalo die een ombudspolitiek voert. In 1998 maakten de Politieke Partij Scheveningen en de Haagse Stadspartij hun entree in de raad met een vergelijkbare boodschap. De Politieke Partij Scheveningen presenteerde zich als “de lokale partij die rechtstreeks in contact staat met de burgers”, waardoor zij bij uitstek in staat zou zijn om de Haagse (en vooral de Scheveningse) problemen aan te pakken.4) Zij benadrukte – net als Hart voor Den Haag tegenwoordig – geen politiek-ideologische signatuur te hebben: dat was iets voor landelijke politici. De Haagse Stadspartij had daarentegen wél een duidelijk links-progressief profiel, maar haar kandidaten beloofden eveneens vooral het contact van de straat naar de raad en vice versa te faciliteren.5) Joris Wijsmuller, de leider van de Haagse Stadspartij, sprak in 2002 zelfs van een “ombudsfunctie”.6)
Hoewel ombudspolitiek bij uitstek tot het repertoire van lokale partijen behoort, kunnen nationale partijen deze stijl ook toepassen. In Den Haag riep De Politieke Partij Radikalen, een van de voorlopers van GroenLinks, al in de jaren zeventig op tot een democratisering van de gemeentepolitiek.7) Volgens haar lijsttrekker, Jack Verduyn Lunel, moest dit gebeuren door “het geluid van de mensen zelf ook duidelijk in de gemeenteraad te laten klinken”. Stevig in de wijk gewortelde raadsleden moesten “als spreekbuis” optreden, precies zoals De Mos dat graag ziet.8) In 2018 gaf Verduyn Lunel inderdaad aan zich te herkennen in de ombudspolitiek van De Mos: “Ik deed het ook zo, al moest ik er rekening mee houden dat ik niet voor élk belang kon opkomen. Daar heeft hij weinig last van.”9)
De partijen die Hart voor Den Haag op gepaste afstand volgen in de peilingen, D66 en GroenLinks-PvdA, willen de gemeentepolitiek óók democratiseren, maar op een andere manier. Zij zetten vooral in op actief burgerschap, door het stimuleren van burgerraden en andere participatie- en inspraakvormen. Deze partijen vinden het ongetwijfeld van belang dat raadsleden zich benaderbaar opstellen en goed bekend zijn in hun wijk, maar als democratisch instrument geven zij – in de woorden van D66 – de voorkeur aan “vormen van inspraak die passen bij onze tijd”.10) Door te stellen dat “de tijd van alleen maar volksvertegenwoordiging […] voorbij”11) is, zet de partij zich impliciet maar onmiskenbaar af tegen de democratische visie van Hart voor Den Haag, die juist helemaal draait om de “politicus als ombudsman, als ombudsvrouw, waarbij de volksvertegenwoordigende taak met stip op één staat”.12) De Mos wijst vormen van directe democratie niet af, maar hij heeft er stukken minder vertrouwen in: “de gevestigde orde heeft het altijd over ‘participatie’ en ‘inspraak’ enzo, maar dat betekent vooral: u mag komen luisteren en wij doen lekker toch wat we willen”.13)
Wetenschappers en journalisten hebben ombudspolitiek recentelijk besproken als een stijl van democratische vertegenwoordiging die we serieus moeten nemen.14) Er is echter opvallend weinig bekend over de geschiedenis van ombudspolitiek in Nederlandse gemeenten, die nog veel verder terugloopt dan de hierboven genoemde voorbeelden. Neem het streven van Hart voor Den Haag (en zo veel andere lokale en niet-lokale partijen in Nederland) om gemeenteraadsleden als wijkvertegenwoordigers te laten optreden. Om dit te bewerkstelligen werden gemeenten met meer dan 15.000 inwoners tussen 1897 en 1917, tijdens de laatste decennia waarin ook de Tweede Kamer werd samengesteld volgens een districtenstelsel, opgedeeld in drie of meer kiesdistricten.15) De effecten van dit gemeentelijke districtenstelsel zijn nooit uitvoerig onderzocht, maar zij waren er in de grote steden zeker. In 1909 meldde een Amsterdamse krant hoe het raadsdebat zich daar had ontpopt tot “een edelen wedstrijd, wie het best voor de belangen van zijn kiezers zou opkomen”.16) De ‘gewone Amsterdammers’ wiens klachten hun weg naar de raadzaal vonden waren vast gelukkig, maar net als met de ombudspolitiek van De Mos waren de meningen destijds verdeeld. De beroemde staatsrechtgeleerde Jacques Oppenheim hekelde het gemeentelijke districtenstelsel en het “wijkgekonkel” dat zij teweegbracht, met name omdat dit alles afleidde van de zuivere behartiging van het algemeen belang – een heel ander ideaal van politieke vertegenwoordiging, dat teruggaat op Thorbecke.17) Precies die permanente onenigheid, voortkomend uit verschillende, steeds veranderende visies op hoe onze democratie zou moeten functioneren, maakt de historische blik op ombudspolitiek zo waardevol. Het verleden plaatst zowel het succes van De Mos als de kritiek die hem ten deel valt in perspectief.
Felix Bosch schrijft een proefschrift aan de Universiteit Leiden over ‘nabijheidspolitiek’ en lokale vertegenwoordiging in de Tweede Kamer tussen 1888 en 1918, de laatste fase van het Nederlandse districtenstelsel. Momenteel doet hij namens de Stichting Thorbeckeleerstoel onderzoek naar de geschiedenis van ombudspolitiek als politieke stijl.
1)Archief voor Haagse Lokale Politiek (hierna: AHLP), Hart voor Den Haag/Groep de Mos, ‘Deze stad verdient beter. Een boodschap van Hoop en Optimisme. Verkiezingsprogramma 2022-2026’, 120.
-
2)Hans Marijnissen, ‘Hoe de “ombudspolitiek” van Richard de Mos tot een inval leidde’, Trouw (2 oktober 2019); Hart voor Den Haag, ‘En nu aan de slag! Verkiezingsprogramma Hart voor Den Haag 2026-2030’, 7.
-
3)Asher van der Schelde en Lotte Reijnders (Ipsos I&O), ‘Wat stemt Den Haag in maart 2026? Tweede verkiezingspeiling in opdracht van gemeenteraad Den Haag’ (maart 2026, rapportnummer 2026/38).
-
4)Haags Gemeentearchief (hierna: HG), Stukken betreffende de gemeenteraadsverkiezingen 2002, 18B y 25, Politieke Partij Scheveningen, ‘PPS Nieuwsbrief 12’ – 4e jaargang nr. 1, maart 2002.
-
5)HG, OV3 Instellingen – 1725, Ongeregeld Goed. Blad van de Haagse Stadspartij (maart 1998).
-
6)HG, Stukken betreffende de gemeenteraadsverkiezingen 2002, 18B y 25, ‘Haagse Stadspartij Lijst 8. Verkiezingskrant (2002-2006)’.
-
7)HG, OV3 Instellingen 0676, Documentatie betreffende de Haagse afdeling van de Politieke Partij Radikalen, PPR Den Haag, ‘Nu ook een duidelijk progressief geluid in de Haagse gemeenteraad’, 1974.
-
8)A.J.A. Verduyn-Lunel, ‘Doorgaan te laten zien dat het ook anders kan’, Den Haag (juni 1978).
-
9)Mieke van Dixhoorn, ‘Smaakmakers over de formatie: Jack Verduyn Lunel (GroenLinks) (Deel 3)’, Den Haag Centraal (25 mei 2018).
-
10)D66 Den Haag, ‘Samen bouwen aan de toekomst. Verkiezingsprogramma D66 Den Haag 2026-2030’, 43.
-
11)AHLP, D66 Den Haag, ‘Den Haag, een stad om thuis te zijn. Laat iedereen vrij, maar niemand vallen. Verkiezingsprogramma D66 Den Haag 2022-2026’, 50.
-
12)Hart voor Den Haag, ‘En nu aan de slag!’, 4.
-
13)Geerten Waling, ‘Peiling Den Haag: Richard de Mos nu zelfs op 14 zetels, mede dankzij ombudspolitiek’, EW Magazine (2 maart 2026).
-
14)Waling, ‘Peiling Den Haag’; Julien van Ostaaijen, Het onbegrepen bestuur. Het functioneren van gemeenten, provincies en waterschappen, 3e ed. (Amsterdam 2026) 104; Geerten Boogaard, ‘Democratie begint met ombudspolitiek’, Binnenlands Bestuur (3 september 2021).
-
15)Joop van den Berg en Geerten Boogaard, ‘De gemeenteraad in Nederland. Schets van de staatsrechtelijke en politieke geschiedenis’, in: Hans Vollaard e.a. eds., De gemeenteraad. Ontstaan en ontwikkeling van de lokale democratie (Amsterdam 2018) 41-78, aldaar 55.
-
16)Uit Amsterdam. Raadsoverzicht’, Land en Volk (29 april 1909).
-
17)Jacques Oppenheim, Het Nederlandsch gemeenterecht. Eerste deel, 3e ed. (Haarlem 1906) 197; Van den Berg en Boogaard, ‘De gemeenteraad in Nederland’, 45, 55.