Kiezen met je portemonnee?

maandag 16 maart 2026, 13:00, Arjen Schep

De verkiezingsprogramma’s van de lokale partijen die deelnemen aan de gemeenteraadsverkiezingen staan weer bol van ambitieuze beleidsvoornemens. Mooie plannen die ons als kiezers over de streep moeten trekken in het stemhokje. Die plannen hebben vaak ook financiële consequenties en daarmee gevolgen voor de gemeentebegroting. Ze vertalen zich tot bezuinigen en lastenverlichting dan wel juist investeringen in gemeentelijke voorzieningen en dienstverlening en lastenverzwaring. Niet zelden leidt het realiseren van verkiezingsprogramma’s dus tot keuzes in de gemeenteraad over de hoogte van de gemeentelijke lasten. Dit wordt ook wel de democratische functie van de gemeentelijke belastingen genoemd.1) Indirect beslissen we in het stemhokje mee over gemeentelijke plannen en voornemens en daarmee ook over de gevolgen daarvan voor onze eigen portemonnee. Maar hoeveel ruimte is er eigenlijk voor eigen beleidskeuzes van gemeenten?

Belastingkloof

Gemeenten hebben een open huishouding. Dat betekent dat ze een grondwettelijk verankerde autonome bevoegdheid hebben om zelf taken op te pakken, zolang die niet aan een ander orgaan zijn toebedeeld of anderszins strijdig zijn met hogere wet- en regelgeving. Bij een open huishouding past ook de mogelijkheid om zelf belasting te heffen ter bekostiging van de beleidsbeslissingen. Dan zijn vooral zogenoemde algemene belastingen relevant omdat een gemeenteraad dan zelf kan beslissen over de hoogte van het tarief en over de bestemming van de opbrengst. Qua opbrengst zijn de belangrijkste gemeentelijke algemene belastingen de onroerendezaakbelastingen (OZB) die in 2026 landelijk € 6,3 miljard opbrengen. Verder kunnen nog worden genoemd de parkeerbelastingen (€ 1,6 mld) en de toeristenbelasting (€ 654 miljoen).2) Samen vertegenwoordigen de belastinginkomsten van gemeenten ongeveer 17% van de totale inkomsten van gemeenten. In 2025 ontvingen gemeenten zo’n 65% van hun inkomsten van het rijk uit algemene en specifieke uitkeringen uit het gemeentefonds.3) Die financiële afhankelijkheid van rijksinkomsten hangt samen met het feit dat gemeenten zo’n 85%-90% van hun taken uitvoeren voor rijk en provincies op grond van wettelijke verplichtingen. Dit worden medebewindstaken genoemd. Deze taken liggen op domeinen als sociale zekerheid, jeugdzorg, ruimtelijke ordening en onderwijs.4) De Raad voor het Openbaar Bestuur sprak in 2025 in dat kader van een belastingkloof.5) Die kloof is het verschil tussen de hoeveelheid geld die gemeenten uitgeven (aan medebewindstaken) ten opzichte van wat zij via eigen inkomsten zoals via de OZB (7%) binnen kunnen krijgen. Die kloof is toegenomen door de decentralisaties van onder meer jeugdzorg van rijk naar gemeenten die gepaard gingen met een bezuinigingsopgave.6) Er is daardoor sprake van een disbalans tussen uitgaven en inkomsten. Wanneer de budgetten grotendeels door het rijk worden bepaald en er tegelijkertijd nauwelijks sprake is van beleidsvrijheid, komen de financiële risico’s bij het niet behalen van doelstellingen voor gemeenten. In het stelsel van financiële verhoudingen tussen rijk en gemeenten heeft met name de OZB ook een zogenoemde bufferfunctie voor het opvangen van financiële risico’s. De afgelopen jaren zijn die financiële risico’s door de decentralisaties enorm toegenomen zonder dat het eigen belastinggebied is gewijzigd. In die zin resteert over de hele linie nog minder financiële ruimte voor invulling van beleidskeuzes van gemeenten. Er valt in die zin in maart minder te kiezen dan vóór de decentralisaties.

Gelijke monniken, ongelijke kappen

Gemeenten staan wettelijk gezien dezelfde belastingen ter beschikking. Toch heeft de ene gemeente meer mogelijkheden om de eigen belastinginkomsten te vergroten dan de andere. Ter illustratie: de gemeente Amsterdam haalt in 2026 met parkeerbelastingen ongeveer hetzelfde bedrag op als met de OZB (zo’n € 400 miljoen). Maar ook de toeristenbelasting brengt € 275 miljoen op in die stad. In zekere zin is er dus meer ruimte voor eigen beleidskeuzes in toeristische gemeenten en in gemeenten met een centrumfunctie door mogelijkheden van heffing van toeristenbelasting, forensenbelasting (gemeenten met vakantieparken) en parkeerbelastingen. Doordat genoemde heffingen vooral worden opgebracht door niet-inwoners, betekenen deze verschillen in uitgangspositie tussen gemeenten ook dat in de ene gemeente beleidskeuzes of financiële tegenvallers eerder tot lastenverzwaring bij de eigen inwoners (woningeigenaren), bedrijven en instellingen zullen leiden dan in de andere gemeente. In niet-toeristische gemeenten zonder centrumfunctie resteert dan enkel als mogelijkheid verhoging van de tarieven van de OZB. Of er zal moeten worden gesneden in de eigen organisatie dan wel in het niveau van de gemeentelijke dienstverlening en voorzieningen.

Kiezen met je portemonnee?

Kortom, de mate waarin met het eigen belastinggebied invulling kan worden gegeven aan de democratische functie, verschilt per gemeente en is afgenomen door grotere financiële risico’s vanwege een toename van landelijke medebewindstaken, zoals jeugdzorg. Om die democratische functie te herstellen zou het eigen belastinggebied met € 6 mld. moeten toenemen, zo werd in 2020 berekend.7) De uitkering uit het gemeentefonds zou met dat bedrag dan kunnen afnemen, waardoor de loon- en inkomstenbelastingtarieven zouden kunnen dalen. Per saldo is dan sprake van een belastingschuif van rijksbelastingen naar gemeentelijke belastingen zonder (op macroniveau) al te grote lastenverschuivingen. Ik vrees echter dat dit er voorlopig niet van komt. De vorige kabinetten vonden de lokale democratie ook weer niet zó belangrijk. Ook het huidige kabinet lijkt andere prioriteiten te hebben.

Prof. mr. dr. A.W. Schep is hoogleraar Heffingen van lokale overheden en wetenschappelijk directeur van het Erasmus Studiecentrum voor Belastingen van Lokale overheden en tevens voorzitter van het departement Law & Tax van Erasmus School of Law van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Deze bijdrage stond in