N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Einde van de sociaaldemocratie is sluitstuk van veertig jaren afbladdering
Kort na de viering van haar tachtigste verjaardag, op 8 februari 2026 in Zwolle, bereikt het boegbeeld van de Nederlandse sociaaldemocratie, de Partij van de Arbeid, het blijkbaar onvermijdelijke einde. Zij gaat met GroenLinks op in een nieuwe partij, Progressief Nederland, die zichzelf het predicaat ‘ecosocialistisch’ heeft verschaft. Daarmee is de sociaaldemocratische identiteit van de PvdA welbewust en definitief overboord gegooid. Dat is een eigen keuze, los van allerlei maatschappelijke ontwikkelingen die van invloed zijn op het functioneren van ons veelvormige partijstelsel.
Blijkbaar is er in ons land geen plaats meer voor een politiek-ideologische stroming die aan de basis stond van onze verzorgingsstaat en die zowel drager als hoeder van onze democratische rechtsorde was. Anders dan andere landen in Europa en daarbuiten moet Nederland het in het vervolg doen zonder een relevante sociaaldemocratische partij. Binnen een internationaal georiënteerde stroming als de sociaaldemocratie zal ons land met een eigen geluid ontbreken. Dat is niet alleen opvallend, het is ook een verlies. Uitgerekend de zelfverklaarde ‘politiek-vernieuwer’ en D66-oprichter Hans van Mierlo kwalificeerde de sociaaldemocratie als ‘de beste Europese uitvinding ooit’.
Slotakkoord
De zwanenzang van de Nederlandse sociaaldemocratie is niet louter het gevolg van een door opportunisme gedreven en van bovenaf opgelegde partijfusie. Evenmin uitsluitend door aantoonbaar falend leiderschap. Wel is het slotakkoord bereikt van een al veertig jaar geleden ingezet proces, waarin de PvdA welbewust haar identiteit verkwanselde en daarmee ideologisch verwaterde, haar traditionele achterban veronachtzaamde, haar verstikkende partijcultuur bleef koesteren en daarbij de ene na de andere politieke leider zag komen en alras ook weer gaan.
Sinds het vertrek van minister-president Wim Kok in 2002 kende de PvdA maar liefst tien politieke leiders: achtereenvolgens Ad Melkert, Jeltje van Nieuwenhoven, Wouter Bos, Job Cohen, Diederik Samsom, Lodewijk Asscher, Lilianne Ploumen, Attje Kuiken, Frans Timmermans en ten slotte Jesse Klaver, al meer dan tien jaar de aanvoerder van GroenLinks en intussen ook zelfverklaard sociaaldemocraat. In de daaraan voorafgaande zesenvijftig jaar was de omloopsnelheid in het leiderschap met vijf aanvoerders heel wat minder hoog: Willem Drees, Jaap Burger, Anne Vondeling, Joop den Uyl en Wim Kok.
Fusiepartij
In februari 1946 werd de PvdA opgericht als fusiepartij die de grenzen tussen de traditionele levensbeschouwelijke zuilen moest doorbreken. Al bij de eerste naoorlogse Kamerverkiezingen in mei 1946 mislukte dit jammerlijk. De nieuwe partij behaalde met 29 van de honderd zetels een slechter resultaat dan haar samenstellende delen SDAP (sociaaldemocraten), VDB (vrijzinnig-democraten) en CDU (christendemocraten) in totaal verwierven (31 van de honderd) bij de laatste vooroorlogse verkiezingen in 1937.
De nieuwe ‘Doorbraakpartij’ omarmde het ‘personalistisch socialisme’ van dominee Willem Banning, een van haar oprichters. In feite borduurde haar in 1947 verschenen beginselprogramma voort op het laatste van de SDAP, die in 1937 de nog resterende marxistische elementen overboord had gezet. Zij werd van arbeiderspartij een volkspartij en tegelijk ‘regierungsfähig’, wat onder de oorlogsdreiging in 1939 beloond werd met deelname aan het kabinet-De Geer 2.
‘Gezindheidssocialisme’
De nieuwe Partij van de Arbeid nam niet alleen grotendeels het programma, maar ook de partijcultuur en bijbehorende symbolen van de vooroorlogse SDAP over. De laatste partijvoorzitter van de SDAP werd de eerste van de PvdA, Koos Vorrink, die zich pleitbezorger van het ‘gezindheidssocialisme’ toonde: “Je kíest niet voor het socialisme, neen, je bént socialist!” Hoe dan ook, dit was herkenbaar voor de nog altijd verzuilde achterban. Alleen al het gevoel bij de herboren socialistische zuil te horen deed er vaak meer toe dan een weloverwogen keuze voor een politiek programma.
Het werd de in de nieuwe partij op een zijspoor gezette VDB-voorman Piet Oud en enkele van zijn geestverwanten allemaal te veel. Met de leider van de Partij van de Vrijheid, Dirk Stikker, richtte hij in 1948 de VVD op.
Nieuw Links
Onder leiding van Drees ontpopte de PvdA zich als een regentesk bestuurder en daarmee ook betrouwbare volkspartij, stoelend op een kwart tot een derde van het electoraat. In 1958 leek het proces van wederopbouw voltooid en werd de PvdA met dank voor de bewezen diensten aan de kant gezet. Door de VVD werd zij uitgesloten van verdere kabinetsdeelname, waarmee de partij haar bestaansreden zag vervluchtigen. Er volgde in 1965 slechts een kort intermezzo in het kabinet-Cals, dat in 1966 in de Nacht van Schmelzer door de confessionelen om zeep werd geholpen.
Voor zover de achterban al de neiging had om te morren over ideologische verwatering in de partij, werd dit door de partijleiding met ronkende retoriek in de verwante ‘rode media’ rechtgetrokken. Totdat dit niet meer aansloeg in de drastisch veranderende samenleving.
Zo kon aan het eind van de jaren zestig de vermolmde PvdA overgenomen worden door de interne vernieuwingsbeweging Nieuw Links, die de partij zowel organisatorisch als strategisch en ideologisch op een ander spoor zette. Het eerste bleek uit een strikt decentraal opgebouwde en overgereguleerde partijstructuur, waarbinnen het gestolde wantrouwen de plaats innam van het gedelegeerde vertrouwen van voorheen. Ideologisch maakte de partij een stevige ruk naar links, wat in 1977 culmineerde in het beginselprogramma ‘Socialisme tussen Nu en Morgen’, dat tot stand kwam onder leiding van de Groningse filosoof Lolle Nauta. In de geest van de jaren zestig en zeventig was de radicalisering van de PvdA onmiskenbaar.
Interne onvrede
Intussen was onder PvdA-leider Joop den Uyl het ‘meest linkse kabinet ooit, rood met een wit randje’ (1973-1977) tot stand gekomen. Ondanks een verkiezingswinst van tien zetels slaagde de intussen grootste partij van ons land erin om zichzelf in 1977 en eigenlijk tot eind jaren tachtig buiten vruchtbare regeringsdeelname te manoeuvreren. Dit leidde tot interne onvrede en onrust, die toen nog niet in verkiezingsuitslagen doorklonken.
Voor de laatste keer voerde Joop den Uyl in 1986 de PvdA bij de Kamerverkiezingen aan. Ondanks een winst van vijf zetels (in totaal 52 van de 150) bleef de PvdA tot haar grote ergernis en verdriet veroordeeld tot de oppositiebanken. Het binnen de partij zo lang verwachte en bovenal gehoopte ‘Tweede kabinet-Den Uyl’ zou er nooit meer komen. CDA-voorman en minister-president Ruud Lubbers kon met de VVD zijn karwei afmaken: het CDA behaalde 54 zetels en werd daarmee de grootste partij.
Vernieuwingscommissies
De ‘overwinningsnederlaag’ van de PvdA moest tot een grondige herziening van inhoud, strategie en partijorganisatie en -cultuur leiden. En daarmee tot kabinetsdeelname, met als boegbeeld de nieuwe PvdA-leider Wim Kok, de oud-voorzitter van de FNV die als winnaar uit de jarenlang slepende ‘Kroonprinsenstrijd’ naar voren was gekomen. Regeringsdeelname werd als doel op zich speerpunt nummer één, de partij zou weer ‘salonfähig’ moeten worden. Daartoe werden drie zogeheten vernieuwingscommissies opgetuigd, die in 1987 rapporten uitbrachten over de politieke inhoud (‘Schuivende Panelen’), politieke strategie (‘Bewogen Beweging’) en partijorganisatie en -cultuur (‘Politiek à la Carte’). De eerste twee rapporten werden alom omarmd en leidden tot een meer realistische – naar centrumlinks afbuigende – koers. Van een ‘Partij links ván het midden’ transformeerde de PvdA zich tot een ‘Partij links ín het midden’. Ondanks dat ene voorzetsel bleek het verschil tussen beide levensgroot, zeker in de beleving van tal van partijleden. Zij zagen het sociaaldemocratische gehalte en daarmee de identiteit van de partij vervagen.
Het derde en zeer kritische rapport over de eigen organisatie verdween voorlopig in de diepste bureauladen op het landelijk Partijbureau, om er jaren later in andere vorm weer uit te komen. Kritiek leveren mocht, zolang het maar niet de eigen club betrof.
Wims wil was wet
Het bevlogen en onvervalst ‘linkse’ Beginselprogramma uit 1977 bleek al meteen ongeschikt om als uitgangspunt voor beleid te dienen. Sociale rechtvaardigheid, gelijkheid, vrijheid, solidariteit en later ook duurzaamheid bleven in naam de wezenskenmerken van de sociaaldemocratie, maar bleken in de praktijk multi-interpretabel te zijn. Met enige regelmaat werd getracht de eigen beginselen te herijken, maar tot meer dan een reeks commissies, rapporten en een heus manifest uit 2005 heeft dit niet mogen leiden. Momenteel buigt de nieuwe fusiepartij zich over de eigen beginselen.
In zijn roemruchte Den Uyl-lezing van december 1995 sprak PvdA-leider Wim Kok verstrekkende woorden: ‘Het afschudden van ideologische veren is voor een politieke partij als de onze niet alleen een probleem, het is in bepaalde opzichten ook een bevrijdende ervaring’. Intern leidde deze ideologische ommezwaai slechts tot enigszins gefronste wenkbrauwen. Niet meer dan dat, de Partij van de Arbeid was intussen de ‘Partij van Wim’ geworden. Wims wil was wet.
Paarse kabinetten
Niet alleen de inhoudelijke koers, ook de politieke strategie werd aangepast. De door Nieuw Links bepleite polarisatie – in 1969 culminerend in een anti-KVP-motie – werd overboord gegooid. Zonder morren of protesten van een intussen fors uitgedunde linkervleugel in de partij werd in 1989 met het CDA van Ruud Lubbers een kabinet gevormd. In 1991 werd de PvdA medeverantwoordelijk voor het plotse voornemen om in te grijpen in de duur en hoogte van de WAO-uitkeringen, wat de partij een derde van haar ledental, haar traditionele verbondenheid met de vakbeweging en een groot deel van haar geloofwaardigheid kostte. De daaropvolgende verkiezingsnederlaag in 1994 was met twaalf zetels ruim, maar nog altijd minder dan de twintig van het CDA, dat aan de heilig verklaarde AOW was gaan morrelen.
Zo kreeg de PvdA het initiatief in de kabinetsformatie van 1994, die de komst van twee achtereenvolgende ‘Paarse kabinetten’ inluidde. Mede uit afkeer van de regeermacht van de confessionelen, die in Nederland langer aan de macht waren dan de communisten in de voormalige Sovjet-Unie, werd niet alleen met D66 een regeerakkoord gesloten, maar ook met de VVD. Dus met de nazaten van de ‘oude klassenvijand’ van de sociaaldemocratie. Voor tal van ware sociaaldemocraten werden hiermee de grenzen van het politiek fatsoen overschreden. Lokaal en regionaal kon prima met de doorgaans betrouwbare liberalen worden samengewerkt, landelijk speelde het ‘Verdelingsvraagstuk’ waarin PvdA en VVD van oudsher lijnrecht tegenover elkaar stonden. Maar ook dat werd gladgestreken, waarmee de eigen ideologie wederom geweld werd aangedaan.
Sociaalliberalen
Binnen de PvdA was intussen een en ander overhoop gegooid. De WAO-crisis van 1991 leidde indirect tot het afbreken van de interne partijdemocratie. Onder leiding van voorzitter Felix Rottenberg werden zowel de partijorganisatie als de kandidaatstelling voor de Tweede Kamer gecentraliseerd, waarbij de partijleiding het voor het zeggen kreeg. De invloed van de regio, met traditioneel-rode bolwerken in het noorden des lands, nam af. Zo bleken na de Kamerverkiezingen van 2002 in eerste aanleg alle (23) PvdA-fractieleden uit de Randstad afkomstig te zijn. De regio was niet langer in de PvdA-fractie vertegenwoordigd.
Eerder al stimuleerde de landelijke partijleiding een aantal Randstedelijke sociaalliberalen om tot de PvdA toe te treden en deze als volksvertegenwoordiger te dienen. Dat er met D66 al een sociaalliberale partij bestond deed er blijkbaar niet toe.
Nu zonder confessionelen werd geregeerd was het mogelijk om immateriële kwesties definitief te regelen, zoals (deels) het recht op levensbeëindiging en het ‘homohuwelijk’. Binnen de partij werden beide als grote verworvenheden bejubeld, wat het zicht op andere beleidsterreinen helaas belemmerde. Privatisering in de collectieve sector, marktwerking in plaats van overheidssturing en bevoordeling van het (groot)kapitaal kwamen tot stand dankzij medewerking en soms op mede-initiatief van de PvdA.
Successen waren er ook, zeker waar het de werkgelegenheid betrof, maar het bestuur werd allengs technocratischer, bureaucratischer en het kwam op grotere afstand van de burgers te staan. Ook werden de gevolgen van de aanslag van ‘9/11’ op de Twin Towers en de onvrede over migratie en integratie niet op waarde geschat. Zo creëerde de partij mede de voedingsbodem voor de Fortuynrevolte van 2002. De ingeslopen zelfgenoegzaamheid kende een grote prijs.
Nekslag voor de electorale positie
Na een forse inzinking in 2002, waarbij de partij de helft van haar zeteltal verloor, keerde zij gesterkt terug naar de regeringsmacht. Deze gebruikte zij in het voortijdig gesneefde kabinet-Balkenende IV (2007-2010) om tijdens de Kredietcrisis grote private banken overeind te houden. Zoals wel vaker, bijvoorbeeld tijdens dreigende constitutionele crises rond het Koningshuis (Greet Hofmans in 1956, Lockheed en Bernhard in 1976, Jorge Zorreguieta en Maxima in 2001), kon de PvdA een oplossing aandragen zonder daarvoor vervolgens electoraal beloond te worden. Wel beklijfde bij partijcritici het beeld dat de partij op aarde was om de in de tijd achterhaalde monarchie en het private bankwezen te redden.
Nadat in 2012 de PvdA succesvol campagne voerde tegen de VVD, werd op de avond van de verkiezingen al besloten om toch samen een coalitie te vormen, omdat het niet anders zou kunnen. Natuurlijk kon het wel anders, maar de politieke wil daartoe ontbrak. Zo meende de PvdA de verzorgingsstaat te redden door deze deels af te breken, met als triest symbool de sanering van de sociale werkvoorziening.
Bij de daaropvolgende verkiezingen in 2017 resteerde voor de partij nog geen kwart van haar eerder behaalde zeteltal. Dit bleek de nekslag voor de machtspositie van de PvdA. De partij zou er niet meer bovenop komen. De partijleiding zocht op eigen houtje herstel in een intensieve samenwerking met GroenLinks. Met vooralsnog als enig doel om ‘de grootste’ te worden. In de Eerste Kamer mislukte dit in 2023, toen BBB de grootste werd. In de Tweede Kamer mislukte het evenzeer, zowel in 2023, toen PVV de grootste werd als in 2025, toen de beide samenwerkende partijen in omvang pas de vierde fractie vormden.
Partijcultuur
Partijleiderschap, partijorganisatie en interne partijcultuur hebben alles met elkaar te maken. In de omschrijving van emeritus-hoogleraar Gerrit Voerman bestaat partijcultuur uit oriëntaties, stijlen en vormen binnen een partij. Volgens hem gaat partijcultuur daarnaast over de manier waarop politiek door de achterban beleefd wordt. Daarmee raakt het ook aan de collectieve identiteit van de partij. Tegelijkertijd is partijcultuur meer dan omgangsvormen en partijsymbolen, partijcultuur is ook de infrastructuur die macht mogelijk maakt.
Aan de partijcultuur van de PvdA kleeft de mantra ‘Goed voor de mensheid, niet zo goed voor de mensen’. Interne machtsstrijd en politieke afrekeningen bleken van alle tijden, zowel in de ‘regenteske’ jaren vijftig en zestig als in de periode daarna, waarin de PvdA verweten werd bestuurlijk arrogant te zijn. De veelgeroemde strijdbaarheid manifesteerde zich vooral in eigen kring, waar posities knakten en ambities voortijdig sneefden.
Falend en zwalkend leiderschap
Niet alleen verbleekte de identiteit van de PvdA in de afgelopen veertig jaar, ook slaagde de partij er sinds het terugtreden van Wim Kok niet in om gestalte te geven aan consistent, laat staan bevlogen leiderschap. Kok wees Ad Melkert als zijn opvolger aan, met instemming achteraf van de partij. Melkert was een loyale kroonprins gebleken, een geslepen politicus die bij het electoraat elke uitstraling ontbeerde. Onder zijn lijsttrekkerschap halveerde het zeteltal van de partij, waarop hij min of meer gedwongen terugtrad.
Vervolgens slaagde partijvoorzitter Ruud Koole erin om de politiek leider vanaf dat moment via een ledenraadpleging aan te wijzen, hetgeen de scherpe kantjes van de permanente interne machtsstrijd wegnam. Onder Wouter Bos herstelde de electorale positie van de PvdA zich, maar Bos wilde geen minister-president worden. De daartoe favoriete kandidaat, voormalig FNV-voorzitter, senator en burgemeester van Tilburg, Johan Stekelenburg bleek letterlijk op de dag dat hij uitverkoren zou worden aan een terminale ziekte te lijden. Daarom werd een beroep gedaan op de onkreukbare Job Cohen, burgemeester van Amsterdam, die meermalen had laten weten meer bestuurder dan politicus te zijn. Dat bleek toen hij na het terugtreden van Wouter Bos als politiek leider niet opgewassen was tegen zijn fractiegenoot Frans Timmermans en partijvoorzitter Lilianne Ploumen, die openlijk aan zijn stoelpoten zaagden.
Van bovenaf geregisseerde partijfusie
Omdat vicepremier Lodewijk Asscher meende dat hij bij de Kamerverkiezingen van 2017 het zeker beter zou doen dan de door de leden gekozen politiek leider Diederik Samsom, stak hij deze een spreekwoordelijk mes in de rug. Samsom exit en anders dan Melkert deed in 2002, trok Asscher zich met een nog slechter verkiezingsresultaat niet terug. Dat gebeurde pas begin 2021, toen zijn positie vanwege zijn rol als minister in de Toeslagenaffaire binnen de PvdA onhoudbaar was geworden.
Lilianne Ploumen volgde hem op en deed het niet beter. De partij herstelde niet. In de verkiezingscampagne slaagde zij er niet in de PvdA weer van enige (rode) kleur te voorzien. Wel verbond zij zich aan GroenLinks-leider Jesse Klaver, op weg naar een van bovenaf geregisseerde partijfusie. Discussie binnen de achterban ontbrak, besluitvorming via de geijkte kanalen binnen de partij (afdelingen, gewesten) vond niet plaats en de leden werden voor een voldongen feit geplaatst.
Onhandig optreden als fractievoorzitter betekende voor Ploumen einde oefening. Daarop werd tijdens het interim-leiderschap van Attje Kuiken besloten de gezamenlijke toekomst met GroenLinks in te gaan met een coryfee uit het verleden, Frans Timmermans. De ledenraadpleging hierover kende Noord-Koreaanse trekken: men kon kiezen tussen wél Frans Timmermans en géén Frans Timmermans. Tegenkandidaten ontbraken. Het leiderschap van Timmermans draaide uit op een fiasco: als alles beter wetende senior stak hij schril af tegen zijn jongere en frisser ogende opponenten van D66, CDA en VVD.
Nostalgie
Geen van de maar liefst tien politieke leiders in de afgelopen vierentwintig jaar wist blijvend te overtuigen. Waarmee vooral de nostalgie naar de vervlogen tijden van Joop den Uyl werd aangewakkerd. Deze wist wel een aansprekende visie uit te dragen en kiezers aan zich te binden. Het sinds 2002 zwalkende leiderschap bevestigt dat de PvdA intussen een stuurloze partij is geworden, zonder aansluiting met de leefwereld van ‘gewone mensen’, die ooit haar achterban vormden.
Historisch besef ontbreekt ten enenmale bij de partijleiding. Uit het roemruchte verleden worden geen lessen getrokken. Op de tachtigste verjaardag van de partij verscheen het laatste exemplaar van het partijblaadje ‘Rood’. Daarin wordt op een onbeholpen wijze de geschiedenis van de partij belicht. Een geschiedenis die de leiding blijkbaar zelf niet kent. Zo wordt vermeld dat de PvdA in 1986 met 52 zetels haar grootste overwinning vierde, wat feitelijk onjuist is. Zelfs de tien zetels winst (naar 53) van Joop den Uyl in 1977 waren over het hoofd gezien.
Een fusie met het intellectualistische GroenLinks, een partij met een geheel andere partijcultuur en historische inbedding, zal soelaas moeten bieden. Voor de verdwijnende PvdA valt te vrezen dat dit niet zal gebeuren. Het lijkt veelzeggend dat de rode roos in het logo van de PvdA is vervangen door een groene, de kleur van de fusiepartner.
Ooit was de PvdA voor velen de partij van hoop en verwachting, ofwel de Partij naar de Toekomst. Die toekomst ligt definitief achter ons. De sociaaldemocratie heeft zichzelf uitgeblust. De spijt die daarop onverbiddelijk zal volgen komt altijd te laat.
Drs. Bert Middel, voormalig Tweede en Eerste Kamerlid voor de PvdA, was onder meer burgemeester van Drachten|Smallingerland, dijkgraaf van Waterschap Noorderzijlvest en lector aan de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden.