Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Masterclass: Is Europa een jungle?

maandag 13 februari 2012, 9:52

DEN HAAG (PDC) - Het tweede college in het kader van de 2012 Montesquieu Masterclass werd gegeven door prof. Jan van der Harst. Het onderwerp was de Europese politiek van Nederland sinds 1945.

Volgens Van der Harst kan de periode 1945 tot 2012 voor wat de Nederlandse Europese politiek betreft in twee periodes verdeeld kan worden. De eerste was de periode van 1945 tot 1990 waarin Nederland zich met name Atlantisch opstelde en haar buitenlandse politiek voerde met als uitgangspunt dat veiligheid en economie de hoekstenen waren.

Dit kwam tot uiting in het richten op de NAVO waar de VS de grote macht was en de andere lidstaten zowel groot als klein gelijke macht hebben. Voor wat het Europabeleid betreft lag de focus bij de economische samenwerking. Defensieopbouw die beperkt zou zijn tot Europa werd als ongewenst beschouwd.

Nederland kreeg binnen de toenemende Europese samenwerking steeds meer dan wat het inbracht en profiteerde daarvan. Binnen Europa was bovendien de inzet van de Nederlandse politiek dat geen van de grote landen individueel de macht zou krijgen en dit resulteerde in een Nederlands beleid waarbij supranationale instellingen zoals de Europese Commissie en het Europese Hof ferm gesteund werden door Nederland.

De tweede periode betekende door het einde van de Koude Oorlog, de hereniging van Duitsland en het Verdrag van Maastricht, dat het Nederlandse beleid veranderen moest omdat de omstandigheden dat afdwongen. De invloed van de VS op defensie verminderde en de NAVO kreeg minder invloed.

Als gevolg van de genoemde veranderingen werd Europa ook een samenwerkingsverband waarin sociaal-politieke integratie meer op de voorgrond kwam. Het uitsluitend economisch gerichte beleid kon niet langer gehandhaafd worden. Toch is de Atlantische reflectie binnen het Nederlandse beleid nog steeds aanwezig, maar duidelijk is dat Nederland zich moest heroriënteren.

Deze zaken hebben consequenties voor het debat over Europa. Frankrijk en Duitsland willen respectievelijk een monetaire en politieke unie. De grotere staten in Europa worden assertiever. De discussie wordt nu bepaald door staten wat betekent dat onder andere het Europees Parlement nu bij de crisis geen rol speelt.

De nu intergouvernementele structuur lijkt op een jungle volgens Van Walsum. Ze is dominant geworden. De Nederlandse politiek die tot 1990 juist voor uitbreiding van de EU was, heeft dit pad inmiddels verlaten. Nederland betaalt inmiddels ook meer aan de Europese samenwerking dan het ontvangt.

Consequentie hiervan is dat de discussie over de EU binnen Nederland een ander karakter heeft gekregen. Er zijn meer tegenkrachten en de discussie wordt niet meer gedomineerd door de (politieke) elite. Nederland is minder ambitieus geworden. De visie op het supranationalisme wordt ingezet om de Nederlandse belangen te dienen.

In de discussie over Europa  is geen einddoel gedefinieerd het is een kwestie van “muddling through”. Fine-tuning is noodzakelijk, maar komt òf niet òf moeizaam tot stand. Nederland stelt in tegenstelling tot vroeger niet meer offensief, maar defensief op.

Tijdens de discussie kwam naar voren dat de politieke elite te lang de besluitvorming en de discussie over Europa besloten heeft gehouden. De daardoor bij het electoraat ontstane ergernis werkt populisme in de hand. Er moet een langetermijnvisie voor Europa komen en de politiek moet zich niet langer beperken tot het reageren op incidenten, zonder de zaken structureel zaken aan te pakken.