Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De koning en de formatie anno 2017

maandag 27 maart 2017, Alexander van Kessel, onderzoeker en verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis in Nijmegen

Het is niet de allerbelangrijkste vraag met betrekking tot de vorige week begonnen kabinetsformatie, maar een enkeling wierp de kwestie toch weer op: wat moet de inbreng zijn van de Koning? NRC Handelsblad-redacteur Tom-Jan Meeus suggereerde dat koning Willem-Alexander wel eens een rol kon krijgen omdat de politieke leiders na de verkiezingen hun kaarten tegen de borst wilden houden, om niet door de concurrentie uitgekleed te worden. De Koning zou dan de impasse moeten doorbreken.[1]

Onenigheid

Volkskrant-redacteur Remco Meijer signaleerde een meningsverschil tussen de drie vaste adviseurs van het staatshoofd ten aanzien van de vraag in hoeverre koning Willem-Alexander gaandeweg de formatie geïnformeerd dient te worden. Eerste Kamervoorzitter Ankie Broekers-Knol (VVD) en de vicepresident van de Raad van State Piet Hein Donner (CDA) zouden voorstander zijn van een ruimhartige informatieverschaffing, Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib was zover nog niet. Zij wilde het laten afhangen van de wensen van de voorzitters van de fracties in de nieuwe Tweede Kamer.[2]

Het standpunt van Arib was verstandig, ook al gezien de commotie die in september 2012 ontstond nadat toenmalig Tweede Kamervoorzitter Anouchka van Miltenburg had aangekondigd dat de pas door de Kamer aangewezen informateurs Henk Kamp en Wouter Bos voor een kennismakingsbezoek langs de koningin zouden gaan. Van Miltenburg, twee dagen in functie, deed die aankondiging zonder voorafgaand overleg met de fractievoorzitters, een omissie waarvoor ze vervolgens fel werd bekritiseerd. Overigens past de voorkeur van Donner en Broekers-Knol bij die van hun partij: VVD en CDA hechten (net als ChristenUnie en SGP) aan de inbreng van de Koning in de formatie. De partij van Arib neemt hier een andere positie in.

De fractievoorzitters droegen Arib tijdens het gezamenlijk overleg op de middag na de verkiezingen op de Koning te informeren over hun besluit om Edith Schippers aan te wijzen als verkenner. Getuige Aribs verklaring tijdens de aansluitende persconferentie heeft zij dat ook onmiddellijk gedaan – zij het niet in persoon. Dat was daags na de verkiezingen van september 2012 nog wel gebeurd. Toen ontving koningin Beatrix haar drie vaste adviseurs, Eerste Kamervoorzitter Fred de Graaf, Tweede Kamervoorzitter Gerdi Verbeet en Donner. Zo bezien is de (publieke) betrokkenheid van de Koning bij deze formatie tot nu toe zeker niet groter dan bij die van 2012.

Koninklijke invloed

Hoe de Koning de komende weken, als de onderhandelingen over een regeerakkoord (mogelijk in meerdere ronden) zich gaan voltrekken, geïnformeerd gaat worden valt te bezien. Zoals in het rapport naar aanleiding van de evaluatie van de kabinetsformatie van 2012 al werd gesteld: het volgt uit de staatsrechtelijke positie van de Koning dat deze geïnformeerd wordt over de vorderingen van de vorming van een nieuw kabinet. Vooral omdat hij samen met de ministers de regering vormt (GW art. 42, lid 1), en hierin de continuïteit vertegenwoordigt, ligt het voor de hand hem te informeren.[3] Hoe uitbundig die informatievoorziening is, maken de betrokkenen uit.

Overigens is het terugkeren naar de formatieprocedure van voor 2012, toen de Koning de informateurs en de formateurs benoemde, onwenselijk. Zou daar nu toe besloten worden, dan is dat allereerst een brevet van onvermogen van de politici. Daarnaast brengt het de Koning onmiddellijk in een lastig parket, aangezien hij dan gedwongen is een politieke beslissing te nemen; een beslissing waartoe de politieke leiders blijkbaar niet in staat zijn. En die (vermeend politieke) keuzes – vooral die in de formatie van 2010 – waren nu juist de aanleiding tot de aanpassing van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer in maart 2012, die tot gevolg had dat de Kamer zelf de regierol kreeg in de kabinetsformatie.

Die politieke invloed van de Koning op het formatieproces van voor 2012 berust overigens vooral op mythevorming. Doorgaans volgde koningin Beatrix de logica van de door de fractievoorzitters uitgebrachte adviezen, en waren de besluiten daarop terug te voeren. In het handvol gevallen dat discussie mogelijk was, ging Majesteit af op raadgevingen van haar vaste adviseurs, soms (zoals in 1981) aangevuld door die van een of meer ministers van Staat. Omdat die adviezen geheim bleven, kon de suggestie van koninklijke invloed ontstaan.

Eigen boontjes doppen

Zeker als de kabinetsvorming in ingewikkelder vaarwater komt, moeten de gekozen politici de regie en de verantwoordelijkheid behouden. Op geen enkele manier mogen de ‘scherven op de trappen van het paleis’ worden gelegd (informateur Lubbers in 2010), of zouden de politici ‘met hangende pootjes’ naar het paleis moeten om alsnog koninklijke hulp in te roepen (Van Mierlo in 1971). De gekozen volksvertegenwoordiging moet haar eigen puzzel leggen. En dat kan, ook al duurt het wellicht dit keer wat langer dan in 2012.

[1] NRC Handelsblad, 3 maart 2017.

[2] De Volkskrant, 10 maart 2017.

[3] Paul Bovend’Eert e.a., Zonder koningin. Het officiële evaluatierapport van de formatie van 2012 (Amsterdam 2015) hoofdstuk. 5.

1.

Deze bijdrage stond in