Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De erfenis van dominant leiderschap: Alexander Pechtold en Hendrik Pieter Marchant

maandag 29 oktober 2018, 13:00, column van Edgar Hoedemaker

“De man zonder wie D66 niet meer bestond.” [1] Dagblad Trouw gebruikte grote woorden bij het afscheid van Alexander Pechtold. Bij zijn aantreden in 2006 stond D66 op nul zetels in de peilingen. De partij kenmerkte zich door interne problemen, zoals bij de val van het Kabinet-Balkenende II toen de Tweede Kamerfractie het vertrouwen in haar eigen ministers opzegde. Daarnaast was de partij zoekende naar een uniek geluid en werd er voorzichtig gesproken over opheffing. Pechtold bracht de democraten echter terug in het centrum van de macht. Met negentien zetels maakt de partij nu deel uit van Rutte III en D66 speelde een sleutelrol bij diverse begrotingsakkoorden. Zijn leiderschap toont grote gelijkenissen met het dat van een ander vrijzinnig-democratisch leider uit een ver verleden: Hendrik Pieter Marchant, leider van de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) tussen 1916 en 1935. Beide politiek leiders drukten een fundamentele stempel op hun partij. Wat zijn hun overeenkomsten en hoe ging de VDB verder toen Marchant opstapte? Dominant leiderschap kan een grote leegte achterlaten.

“Wij moeten verder zonder de man, waarvan onze partij jarenlang zo afhankelijk was.” [2] De woorden van Pieter Oud bij het vertrek van Marchant in 1935 zijn één op één te kopiëren naar de stemming bij het vertrek van Pechtold. Marchant was tussen 1916 en 1935 een markant leider. Hij zorgde ervoor dat de VDB overeind bleef in woelige tijden van crisis en een aanstaande wereldoorlog. Onder zijn leiding maakte de VDB een opmerkelijke ontwikkeling door: aanvankelijk was de partij alleen bereid democratisch-liberale coalities te steunen, zonder confessionele inmenging. Toch ging men in 1933 in zee met de antirevolutionair Colijn, waarmee de VDB voorheen felle meningsverschillen uitvocht in de Kamer.

Deze opmerkelijke ontwikkeling is deels te verklaren vanuit het leiderschap van Marchant. Hij zorgde voor een streng bewind binnen de bond, die daarvoor net als D66 geteisterd werd door interne problematiek en politieke twijfel. De partijleider schuwde de persoonlijke confrontatie daarbij niet. Een goed voorbeeld daarvan is zijn omgang met de oppositie van partijgenoot Willem Treub, de voormalig Minister van Financiën. Hij was tegen het standpunt van Marchant over de staatsuitgaven van het Ministerie van Oorlog. Het geschil eindigde met het vertrek van Treub uit de partij, met de woorden: “Ik wens van elke persoonlijke of schriftelijke aanraking met de ellendige Marchant verschoond te blijven.” [3]

Door vetes tegen zulke grote persoonlijkheden te winnen, versterkte Marchant zijn leiderschap. Dit gebruikte hij om de partij in zijn greep te houden. Tussen 1916 en 1935 werden bijvoorbeeld significant minder discussieavonden georganiseerd, waar de partij voorheen bekend om stond. De centrale partijleden ondersteunden Marchant echter toch. Dat had te maken met de electorale winst en politieke successen. Bovendien was de angst voor extreemlinkse of rechtse partijen groot. Toen dit succes in 1935 werd omgezet in een controversiële regeringsdeelname verdween die steun. Er was intern weinig begrip voor samenwerking met de ARP en de ‘vijand’ Hendrik Colijn. Marchant raakte in opspraak en moest opstappen na een wel heel pikante zaak: Hij bekeerde zich tot het katholicisme, flirtte met de RKSP, en werd als Minister van Onderwijs de partij uitgezet. Hij trad af.

Een dergelijk schandaal is Pechtold bespaard gebleven, hoewel hij sinds zijn penthouse op Scheveningen geen schoon blazoen meer had. Een overeenkomst tussen beide ligt echter wel in het feit dat zij hun partij sterk veranderden. Ook Pechtold boekte politieke en electorale successen, werd de verpersoonlijking van de democraten en bracht zijn partij in een christelijk-conservatief kabinet. De politieke druk zorgde er ook bij hem voor dat hij steun verloor bij belangrijke leden. Voorbeelden zijn de beweging ‘Opfrissing’ van onder andere Boris van der Ham, de kritiek van Jan Terlouw op het afschaffen van het referendum en de morrige aanloop naar Pechtolds laatste partijcongres. Afnemende steun is een graadmeter voor het einde van politiek leiderschap.

Als één persoon een vrijzinnig-democratische partij zo lang, zo sterk leidt, wordt zijn leiderschap de verpersoonlijking van de heersende partijcultuur. Dat lieten Marchant en Pechtold bij vergelijkbare partijen allebei zien. Maar hoe vergaat het zo’n partij als de leider opstapt? Het is goed voorstelbaar dat er een gapend gat ontstaat, waar normaal dat leiderschap stond. Marchant werd echter opgevolgd door de beroemde liberaal Pieter Oud, een sterke politicus, die de VDB met succes leidde tot aan de oorlog. Oud was toen al minister met ruime ervaring en zorgde er met zijn autoriteit voor dat er geen leegte ontstond. De VDB ging op dezelfde voet verder. Bij de opvolging bij D66 is dat anders. Rob Jetten is een fris gezicht, maar zeker geen ervaren leider. Het zal voor hem een hele klus worden de leegte die Alexander Pechtold achterlaat op te vullen. Het karakter van D66 zal hoe dan ook veranderen.

 

[1] Trouw, 8 oktober 2018

[2] Friesch Dagblad, 20 mei 1935

[3] Groenewold, C.A. Hendrik Pieter Marchant (1869-1956) “Le Tigre Néerlandais.” Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 1992, 52.