Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Stikstofcrisis drijft Randstad en rand uiteen. Een analyse.

Het boerenprotest gaat niet alleen over klimaatingrepen. Beseft de politiek wel dat de verhouding tussen Randstad en landelijke periferie breed op de proef wordt gesteld, vragen Caspar van den Berg en Bram van Vulpen.

Vorige week dinsdag rolden tweeduizend boeren op trekkers, al dan niet met wapperende regionale vlaggen, de hofstad binnen. Niet bang om burgerlijke ongehoorzaamheid te tonen, baanden zij zich een weg naar het Malieveld. Handhavers konden niet anders dan toekijken, tot groot genoegen van de boze boeren hoog achter het stuur. Zij demonstreren tegen harde ingrepen in hun sector, zoals het verkleinen van de veestapel, die onder meer nodig zouden zijn om de stikstofuitstoot door boerenbedrijven te beperken.

Maar politici die hopen de boosheid te kunnen bezweren door te roepen dat zij de veestapel met een marginaal lager percentage willen verminderen dan collega’s van andere partijen, schatten de grotere problematiek waar de demonstratie een symptoom van is, toch verkeerd in.

Het boerenprotest illustreert de trend van veranderende verhoudingen tussen centrum- en perifere regio’s die wereldwijd is te zien. Wetenschappers spreken van binnenlandse periferalisering: een proces waarbij regio’s verbinding verliezen met grootstedelijke centra en in een marginale positie terechtkomen.

Op basis van sociale, politieke en economische indicatoren zien we de afstand tussen de twee type regio’s in de meeste lidstaten van de Europese Unie groeien. Dit is het gevolg van complexe verschuivingen in de economie, demografie, politieke besluitvorming en sociaal-culturele normen en waarden. Nederland vormt daarop geen uitzondering. In ons land uit dat zich bijvoorbeeld in botsingen tussen wat gemakshalve als ‘Randstad’ en ‘regio’ wordt aangeduid, hoewel deze simplificatie geen recht doet aan de in werkelijkheid veel genuanceerdere scheidslijnen tussen het centrum en de periferie.

Traditioneel werk

De grieven van de demonstrerende boeren gaan niet alleen over stikstof. Ze gaan over economische onzekerheid („Hoe kan ik nog een boterham verdienen?”), oneerlijkheid („Waarom moeten wij opdraaien voor klimaatverandering en niet andere vervuilende sectoren?”) en de angst voor het verlies van een traditionele manier van leven.

Maar het overkoepelende thema bleek het gevoel in de steek gelaten te zijn door de grootstedelijke politieke en maatschappelijke elite. Anders gezegd: dat de grootstedelijke bovenlaag, die zelf ruimschoots de vruchten van globalisering plukt, tegelijkertijd het „gezonde boerenleven” in de provincie de nek om zou draaien.

Dit sentiment wordt gevoed door overheidsmaatregelen om klimaatverandering tegen te gaan die het plattelandsleven hard treffen, door achterblijvende investeringen in infrastructuur en een ervaren algemene desinteresse voor de economische en sociale uitdagingen van de rurale gebieden. We moeten het debat dus niet voeren over alleen het stikstofdilemma of de circa 50.000 boeren in Nederland, maar over de toekomstige verhouding tussen de grootstedelijke gebieden en het platteland, en tussen de dominante metropool en de meer dan drie miljoen Nederlanders in krimpende regio’s.

España vaciada

Het prangende vraagstuk van de toenemende kloof tussen regio’s doet zich in veel Europese landen voor, en ook daarbuiten. In Duitsland wordt deze kloof als een van de verklaringen voor de opkomst van de AfD gezien. De regering-Merkel voert een actief beleid om de regionale ongelijkheid te bestrijden door grotere investeringen in infrastructuur, werkgelegenheid en snel internet in de achteropgeraakte regio’s.

In Frankrijk ontstond de gele hesjesbeweging niet verwonderlijk in de periferie, waar de extra belastingheffing op brandstof hard aankwam omdat men er in het dagelijks leven meer afhankelijke is van de auto (of trekker). Ook in Madrid werden dit jaar de straten gevuld door een protestmars van het España vaciada, het ‘lege Spanje’, om de noodklok te luiden over het voortbestaan van de krimpende dorpen op het Spaanse platteland. In beide landen kon de landelijke politiek niet om het protest heen en werden maatregelen aangekondigd.

Gegeven de grote opgaven voor de energietransitie, woningbouw, toenemende congestie en klimaatadaptie die de politieke en ruimtelijke agenda (gaan) domineren, zal de solidariteit tussen grootstedelijke en rurale regio’s in de komende jaren ook in Nederland nog veel meer dan nu het geval is, op de proef gesteld worden.

Waterberging

Als voorbeeld hiervan zien we nu al dat sommige landelijke gebieden niet staan te springen om met sterk vervuilende stedelijke gebieden samen één regionale energiestrategie af te spreken, een van de afspraken uit het klimaatakkoord. Ook ten aanzien van klimaatadaptatie zullen de stedelijke centra de periferie in de toekomst meer en meer nodig hebben. Een voorbeeld daarvan is waterberging en kustbescherming, waartoe ingrepen op het platteland nodig zijn om stedelijke gebieden te beschermen. Een belangrijke politieke vraag daarbij is of grootstedelijke regio’s daarin de vragende of opleggende partij zullen zijn richting de rurale regio’s, en wat dat zal betekenen voor de bestuurbaarheid van het land. Politieke partijen en bestuurlijke instituties doen er goed aan zich daar nu op voor te bereiden.

Dit artikel verscheen eerder in het NRC Handelsblad van vrijdag 4 oktober 2019.

Caspar van den Berg is hoogleraar bestuurskunde en Bram van Vulpen is promovendus aan de Canmpus Fryslân van de Rijksuniversiteit Groningen.