Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Baudet en Moskou: wat is de zuiveringseed waard?

De Zembla-uitzending van donderdag jl. over de banden van FVD-Tweede Kamerlid Thierry Baudet met Russische of Russisch-gezinde personen kan niet achteloos ter kennisgeving worden aangenomen. Er is voor de Tweede Kamer voldoende aanleiding om nader onderzoek te doen, omdat er op zijn minst een sterk vermoeden is van onzuiver handelen door één van haar leden. Als dat zo is, dan schendt hij daarmee zijn zuiveringseed.

Het gaat in deze kwestie om vragen over de onafhankelijkheid van een Tweede Kamerlid; een lid dat bijvoorbeeld de Russische kritiek overnam op het mede door Nederland in gang gezet onderzoek naar het neerschieten van vlucht MH17. Daarvan is bekend dat er sprake is geweest van een grote desinformatiecampagne van Russische zijde en dat er alle reden is om aan te nemen dat het Kremlin geen middelen heeft geschuwd om dat onderzoek in diskrediet te brengen. Vraag is of Baudet onafhankelijk tot zijn oordeel over het MH17-onderzoek kwam.

Kamerleden leggen bij het aanvaarden van het lidmaatschap van een zuiveringseed (of belofte) af. Die eed, die als ambtseed is te beschouwen, heeft zowel betrekking op hun verkiezing (op de vraag of zij geen tegenprestatie hebben beloofd om te worden verkozen) als op hun handelen als Kamerlid.

De memorie van antwoord bij het Grondwetsvoorstel1) op grond waarvan de huidige regeling tot stand kwam, formuleerde dat aldus:

"Die betekenis is [...] hierin gelegen dat degene die Kamerlid wil worden of een ander hoog openbaar ambt wil bekleden duidelijk wordt ingescherpt dat hij dit niet mag trachten te bereiken door de in de eed verboden handelingen te verrichten. Eenmaal gekozen of benoemd in het ambt kan de eed preventief werken doordat de betrokkene er zich daardoor meer van bewust kan zijn dat de uitoefening van de functie in alle onafhankelijkheid moet geschieden. Een concrete specificatie van gevallen waarin het afleggen van de zuiveringseed betekenis heeft, kunnen wij niet geven."

Het is allereerst een ethische binding voor de gekozene zelf, maar de betreffende Kamer mag zich bij (vermoedelijke) schending daarover zeker buigen.

In dezelfde memorie van antwoord stond namelijk:

"Ook de Kamer waarvan de betrokkene lid is of wenst te worden, zal zich in bepaalde gevallen tot een uitspraak geroepen kunnen achten."

Daaraan werd toegevoegd dat het zeker mogelijk is dat de rechter wordt gevraagd te beoordelen of er sprake is van een schending van de zuiveringseed. Zo'n schending zou dan als meineed in de zin van het Wetboek van Strafrecht moeten worden gekwalificeerd.

Nu is vervolging van een ambtsmisdrijf een lastige en politiek-gevoelige weg. Gelukkig is de Wet op de ministeriële verantwoordelijkheid, die tevens vervolging van door Kamerleden begane ambtsmisdrijven regelt, niet al te lang geleden herzien. Het was vooral een modernisering en nog geen inhoudelijke herziening. Dat laatste is nog in voorbereiding. Dat iets ingewikkeld of politiek gevoelig is, kan echter geen reden zijn om ervan te zien.

Vervolging van gemeenteraadsleden die de vertrouwelijkheid van de vertrouwenscommissie schonden, is meer dan eens voorgekomen. Bij Baudet hebben we het over een Tweede Kamerlid dat banden heeft met personen die door een andere regering (en de geheime dienst daarvan) lijken te worden aangestuurd. De vraag of er daarbij van betalingen sprake is, is niet van belang.

Dat kan de Tweede Kamer niet zo maar laten passeren, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Waar integriteit terecht recentelijk meer op de agenda is gekomen, is een nader onderzoek meer dan voor de hand liggend.

  • 1) 
    kamerstuk 14.222, nr. 7