N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Vaardigheid tot samenwerking een kernfactor voor het experimentele minderheidskabinet
Bij de formatie zijn nu ook de fasen van de vaststelling en verdeling van ministersposten en personele invulling voltooid. Het nogal wrange debat over het nieuwe coalitieakkoord op 2 februari jl. maakte nog eens duidelijk dat de keuze voor een experimenteel minderheidskabinet voor beide fasen bijzondere eisen stelt. Bij een minderheidskabinet zijn immers overleg en onderhandelen met parlement en maatschappelijke organisaties van levensbelang. Ook daarom zijn waarschijnlijk de portefeuilles beperkt van omvang en overzichtelijk gehouden door het aantal bewindslieden nagenoeg gelijk te houden.
De verdeling van 28 posten is nogal voor de hand liggend. D66 met 26 Kamerzetels heeft zeven ministers gekregen, aan de VVD met 22 zetels zijn zes posten toegedeeld en het CDA met achttien mag vijf ministers leveren. Verder zijn aan elke partij drie staatssecretarissen toegekend. Opmerkelijk is dat de zittende partijloze staatssecretaris voor Toeslagen en Herstel Sandra Palmen wordt gehandhaafd. Een gerucht uit het begin van de formatie dat ook naar kandidaten uit de oppositiepartijen zou worden gekeken, is op geen enkele manier bewaarheid – niet verwonderlijk gezien de vele haken en ogen.
Eisen bij de personele invulling
Bij de personele invulling is de vaardigheid van bewindslieden om te overleggen en samen te werken met parlement en maatschappelijke organisaties een eis. De beoogde premier Rob Jetten sprak in dit verband over niet al te grote ego’s die ook anderen iets zouden moeten gunnen. De namen van de VVD-bewindslieden waren enkele uren na de bekendmaking van de posten al bekend. Zelfs daarvoor werd al bevestigd dat Eelco Heinen, die als zittende minister voor de VVD een cruciale rol heeft gespeeld bij de opstelling van de financiële plaat van het coalitieakkoord, de gedoodverfde kandidaat voor Financiën was. Ook verder deed de VVD vooral een zwaar beroep op het smaldeel van zittende bewindslieden in het kabinet-Schoof. De zeer routinematige invulling biedt geen garantie dat aan de eis wordt voldaan dat de uitverkoren bewindslieden goed kunnen werken vanuit een experimenteel minderheidskabinet. D66 en CDA hebben geen reservoir van zittende bewindslieden en waren dan ook langer bezig met de afronding van werving en screening van personen. Daar is ook buiten de bekende Haagse kring gekeken.
Over het ontbreken van een ministerschap van Digitale Zaken omzeilde Rob Jetten de kern van een vraag daarover met de opmerking dat een eigen ministerie te veel van het goede zou zijn. Dat was geen adequaat antwoord op de vraag waarom de portefeuille Digitale Zaken is ondergebracht bij een staatssecretaris op EZ. Dat miskent het belang van dit onderwerp. Voor de hand zou hebben gelegen om het snel in belang toenemende onderwerp van digitale zaken en informatiebeleid op ministersniveau te behandelen. Een tweede vraag is waarom de portefeuille bij EZ is ondergebracht en niet bij BZK, gezien de sterke relatie van het onderwerp met de organisatie van de rijksdienst en de zorg voor een slagvaardige overheid.
Opruiming van “staatsrechtelijke verrommeling” bij de verdeling van ministersposten
Gezien het toch wel essentiële karakter van het besluit is opmerkelijk hoe weinig aandacht in de publiciteit is geschonken aan het feit dat de drie ministeries die in juli 2024 zijn ingesteld door het kabinet-Schoof nu alweer worden opgeheven. De opheffing is slechts min of meer terloops genoemd door Rob Jetten en in de media. Dick Schoof merkte destijds als beoogd premier op, dat met de instelling van deze ministeries van Klimaat en Groene Groei, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Asiel en Migratie slechts politieke accenten werden gelegd. De accentuering werd eenvoudig bereikt door de 'minister voor’ de titel te geven van ‘minister van’. Extra ambtenaren zouden niet nodig zijn. De werkelijke consequenties waren bij de formatie niet voorzien. Volgens de regelgeving waren in elk geval voor elk ministerie een secretaris-generaal en een directeur Financieel-Economische Zaken nodig. Het duurde lang voordat – blijkbaar met aarzeling en tegenzin – aan deze minimumvereisten was voldaan en dan ook nog met gekunstelde en ondoelmatige constructies. De overheidsjuristen Hekket en Boomhouwer schreven in dit verband over “staatsrechtelijke verrommeling”. Zij stelden vast dat er in de praktijk toch sprake was van ‘ministers voor’.
Van verschillende zijden werd aangedrongen op het alsnog maken van een keuze tussen het uitbouwen tot volwaardige ministeries en het eenvoudig opheffen van de nieuwe ministeries door het terugdraaien van de ministersbetiteling. Maar dat had voor het kabinet-Schoof tot politiek gezichtsverlies geleid en gebeurde dan ook niet. Bovendien werd in ambtelijke kring de discussie over het terugdraaien vertroebeld door een vage en politiek premature discussie over een rijksdienst op weg naar een civil service. De gekunstelde constructies werden met een nogal gezochte redenering door sommigen zelfs gezien als stappen op weg naar deze wel zeer drastische systeemwijziging, die een wijziging van de Grondwet zou vergen.
Alleen ‘ministers van’
Zoals gezegd is toch wel essentieel, dat nu gekozen is voor het opheffen van de drie ministeries door de desbetreffende ministers opnieuw onder te brengen bij de departementen van EZ, BZK en JenV. Wel wordt een concessie met slechts symbolische betekenis gedaan aan het streven naar status door alleen over ‘ministers van’ te spreken. Beklemtoond is dat ook de inwonende ministers, zoals altijd al het geval was, een eigen programmabegroting kunnen hebben. Volgens de Grondwet blijft het onderscheid echter bestaan tussen ministers die volgens een koninklijk besluit de leiding hebben van een ministerie en inwonende ministers. Het onderscheid hoeft in de praktijk binnen een ministerie niet tot frictie te leiden, als we ervan uitgaan dat in dit experimentele minderheidskabinet de bewindslieden over de vaardigheid beschikken om ook binnen het ministerie tot een goede samenwerking te komen.
In meer opzichten is dus de vaardigheid tot samenwerking van de bewindslieden de kernfactor voor het slagen van dit experimentele minderheidskabinet. De minister-president heeft de spilfunctie om een en ander te bewaken en actief te bevorderen. Met spanning moet worden afgewacht hoe aan de kernfactor wordt voldaan, de toekomst van het kabinet hangt er volledig vanaf.
Dr. J.K.T. Postma was in verschillende functies werkzaam bij het ministerie van Financiën, op het laatst als secretaris-generaal.