Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

'Benoemde Commissaris het beste'

maandag 30 april 2018, Jan Schinkelshoek

Tiende bundel Montesquieu Instituut verschenen

Ook na een overstap naar de gekozen burgemeester kan de Commissaris van de Koning het ’beste’ benoemd blijven worden. Dat is de kern van aan advies van Joop van den Berg , emeritus hoogleraar aan de universiteiten van Leiden en Maastricht, in een essay over de Commissaris – CdK, zoals hij of zij kortaf in de wandeling wordt genoemd.

‘Gelet op de aard van zijn ambt ‘tussen de overheden in’ als bemiddelaar, af en toe als arbiter en als wachter bij de rechtsstaat, derhalve als het ‘bestuurlijke kraakbeen’ bij uitstek, ligt net als bij de rechterlijke macht verkiezing, rechtstreeks of door de staten, niet in de rede. De commissaris kan het beste blijvend worden benoemd bij KB [koninklijk besluit]’, schrijft Van den Berg in het essay dat hij op verzoek van de Kring van Commissarissen van de Koning heeft geschreven. Het is vorige week als tiende bundel van het Montesquieu Instituut verschenen onder de titel: ‘Te zorgen dat de wetten behoorlijk worden uitgevoerd’.

Binnenkort worden waarschijnlijk uit de Grondwet de bepalingen over de aanstellingswijze van zowel burgemeesters als commissarissen geschrapt. Dat moet de weg vrijmaken voor rechtstreekse verkiezing van in elk geval de burgemeester. Maar CdK’s willen niet over een kam worden geschoren met burgemeesters. Bij hun verzet tegen verkiezing vinden ze steun bij Van den Berg.

Van den Berg, fellow van het Montesquieu Instituut, pleit er wel voor Provinciale Staten nauw te betrekken bij benoemingen van CdK’s. ‘Uiteindelijk zou kunnen worden overwogen om, in afwijking van de huidige situatie, de staten niet zozeer een recht van voordracht te verlenen als wel een recht van veto. Aan de staten kan immers geen commissaris worden opgedrongen, maar een volledig vrije keuze van een ambtsdrager met belangrijke rijkstaken – zoals de beoordeling van de kwaliteit van burgemeesterskandidaten - ligt evenmin voor de hand.’

Als burgemeesters in de toekomst wellicht rechtstreeks of door de gemeenteraad zullen worden verkozen – dat debat zal na de deconstitutionalisering volop worden gevoerd – is het verstandig om de Commissaris een rol te laten spelen, vindt Van den Berg. ‘De Commissaris zou kunnen worden belast met de bevoegdheid de integriteit en bestuurlijke kwaliteit van kandidaten te beoordelen, bij voorbeeld met behulp van AIVD-onderzoek of gebruikmaking van de Wet Bibob. Voorts zou de wet kunnen bepalen dat de commissaris dient toe te zien op een richtige uitvoering van de verkiezingsprocedure, eventueel voorzien van een bevoegdheid tot schorsing van de burgemeestersverkiezing.’

Van den Berg: ‘Thorbecke had al in zijn jaren als minister in de gaten hoe belangrijk het oordeel van de commissaris kon zijn voor de waarborg van kwaliteit van het burgemeesterschap en voor de overige rijkstaken, door de commissaris uit te oefenen. Dat belang is intussen niet geringer geworden. Daarom juist meende hij de rol van de Koning bij de benoeming van commissarissen te moeten beperken, zoals hiervoor al is uiteengezet. Voor ‘Koning’ moet men nu wellicht ‘provinciale staten’ lezen. Daarbij past geen impliciete verkiezing van de commissaris door provinciale staten, wel een actieve en zorgvuldige rol voor de minister van BZK en daaraanvolgend voor het kabinet.’

1.

Deze bijdrage stond in