Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Kamervragen: de voortzetting van de verkiezingscampagne met andere middelen?

Het Nederlandse parlement stelt veel Kamervragen en het worden er steeds meer. Dat is best raar: een Kamervraag is een symbolisch instrument van een Kamerlid. Het enige wat de minister of staatssecretaris aan wie een vraag is gesteld hoeft te doen, is een antwoord geven. Dat hoeft maar te bestaan uit één woord. Waarom stellen Tweede Kamerfracties dan vragen? En welke patronen zien wij hierin? In een recent artikel, stellen wij dat de inzet van Kamervragen door een fractie sterke gelijkenis vertoont met de inzet van campagnemiddelen door de partij. Ze markeren hun territorium en vallen hun ‘natuurlijke’ vijanden aan.

Territorium markeren

Als er tijdens de verkiezingen veel aandacht is voor immigratie dan is dat goed voor de PVV, die hier een uitgesproken profiel op heeft. Mocht er vlak voor de campagne een schandaal in de intensieve landbouw zijn, dan valt te verwachten dat de Partij voor de Dieren hier voordeel van heeft. Dat is het kernidee van issue-ownership. In hun media-optredens proberen partijen tijdens de campagne dan ook de focus te leggen op thema’s die hen goed liggen, om de verkiezingen een “referendum” te maken over hun thema.

Kamervragen kunnen ook aan issue-ownership bijdragen. Het stellen van Kamervragen is een simpele en goedkope manier om als fractie je territorium te markeren, en aan journalisten, lobbyisten en andere fracties te laten weten dat dit “jouw” onderwerp is. Het valt dus te verwachten dat de PVV meer Kamervragen stelt over immigratie dan over landbouw en dat dat voor de Partij voor de Dieren andersom is.

In ons onderzoek bekijken we hoeveel vragen elke Kamerfractie aan elke minister stelt tussen 1994 en 2014. We vinden dat Kamerleden veel vragen stellen aan ministers die gaan over thema’s die de partij benadrukte in het verkiezingsprogramma. Hoe belangrijker een thema voor een partij, hoe meer vragen de betreffende minister kan verwachten.

Natuurlijke vijanden

Kamervragen kunnen ook gebruikt worden om de minister of staatssecretaris het lastig te maken. Hier zien we de logica van de verkiezingscampagne weer terug. Politicologen die campagnes bestuderen hebben het soms over negatief campagnevoeren. Dat is campagnevoeren door de zwaktes van de andere partijen te benadrukken in plaats van je eigen sterktes. Partijen kunnen hun pijlen dan richten op partijen die dezelfde kiezers aanspreken om deze kiezers te wijzen op de verschillen (electorale overlap). Zo zou het CDA de VVD kunnen aanvallen. Maar de partijen zouden ook juist conflict kunnen zoeken met partijen aan de andere kant van het politieke spectrum (ideologische verschillen). Dat zijn de partijen waarmee ze het echt inhoudelijk oneens zijn. Zo kunnen ze juist hun eigen politieke profiel versterken. De SP zou bijvoorbeeld de VVD kunnen aanvallen. Een kritische tweet tijdens een campagne of harde aanval tijdens een debat zijn te begrijpen vanuit deze logica. Wij stellen dat dit ook geldt voor het gebruik van Kamervragen. Ze richten namelijk negatieve aandacht op een minister of staatssecretaris van een andere partij.

Wij vinden dat zowel electorale overlap als ideologische verschillen van belang zijn om te begrijpen tot welke ministers partijen zich richten bij het stellen van vragen. Naarmate een partij meer electorale overlap heeft met een andere dan stelt ze meer vragen, maar ook naar mate een partij een grotere ideologische afstand heeft in termen van links rechts. Dit betekent dus dat een SP-Kamerlid meer vragen stelt aan een PvdA-minister (de PvdA en de SP zijn electorale concurrenten) en aan een de VVD-minister (die ideologisch ver van ze afstaat), maar juist minder aan een CDA-minister, aangezien de electorale overlap tussen CDA en SP vrij klein is en de ideologische afstand kleiner dan met de VVD.

Individueel middel

Eén mogelijke kritiek op dit onderzoek is dat Kamervragen een individueel instrument van een Kamerlid zijn. Kamerleden kunnen, anders dan bij een motie, helemaal alleen beslissen om een schriftelijke vraag te stellen. Er is in eerder onderzoek veel aandacht besteed aan Kamervragen als instrumenten van individuele Kamerleden. Wij hebben dit, in een eerder artikel, voor Nederland onderzocht en vinden dat de individuele positie van Kamerleden nauwelijks een rol speelt bij de hoeveelheid Kamervragen die ze stellen. Dat komt omdat anders dan in veel landen, een Kamerlid geen persoonlijk mandaat hoeft te krijgen, maar binnenkomt op de slippen van de lijsttrekker. In dit artikel bouwen wij hierop voort: kenmerken van fracties zijn belangrijker om het gebruik van parlementaire middelen te begrijpen dan kenmerken van individuele Kamerleden.

Maar zelfs als het waar is dat Kamerleden helemaal individueel beslissen over het stellen van een vraag, dan zien we dat ze zich daarbij toch gedragen als een vertegenwoordiger van hun partij. Recent onderzoek van Tim Mickler laat overigens zien dat Kamerleden in Nederlandse fracties, zeker in grotere fracties, zijn ingebed in partijcommissies of clusters. Over de inzet van middelen wordt in zulke partijcommissies gesproken en besloten of het fractiebestuur kijkt mee. Bovendien kunnen fracties prioriteiten stellen door bijvoorbeeld meer Kamerleden op bepaalde terreinen te laten focussen of meer actieve, enthousiaste of ervaren Kamerleden op voor hen belangrijke terreinen in te zetten. Op die manier wordt het gedrag van individuele Kamerleden door hun fractie beïnvloed.

Kortom: wij vinden dat hoe fracties zich opstellen in de Tweede Kamer sterke gelijkenissen vertoont met hoe partijen zich opstellen tijdens campagnes. Fracties markeren territorium dat voor hen belangrijk is door Kamervragen te stellen over die issues die in hun programma’s belangrijk zijn. Ze richten hun vragen bovendien aan ministers van partijen die ideologisch ver van ze afstaan dan wel bij een electorale concurrent horen.