Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Kabinet in tijden van crisis en zijn houdbaarheid

maandag 30 maart 2020, 13:00, Prof.dr. Joop van den Berg

Het huidige kabinet volgt een wel heel bijzondere weg door de tijd. Dat geldt misschien nog meer voor de persoon van de minister-president, Mark Rutte. In augustus, vorig jaar, leek het erop dat de coalitie niet alleen een zekere taaiheid vertoonde, maar dat zij juist door haar karakter van minderheidscombinatie aan kracht had gewonnen en in staat was belangrijke vraagstukken aan te pakken.

Het was nog niet uitgesproken, of overal in de coalitie begon het te piepen en te kraken. Dat was ten dele een paradoxaal gevolg van de uitzonderlijk gunstige economische situatie. Die leidde tot een explosion of rising expectations: allerlei groepen, die zich jarenlang hadden moeten inhouden, verschenen op het Malieveld om hun geld op te eisen. Vervolgens werd het kabinet geteisterd door een paar milieucrises van belang, die de coalitie onder zware druk zetten en ertoe leidden dat de verborgen breuklijnen in de coalitie tot meer of minder grote scheuren werden. Binnen een paar maanden vertoonde het kabinet notoire vermoeidheidsverschijnselen; begon ook het nadenken over wat allemaal ‘over de verkiezingen heen getild’ zou kunnen worden. Zelfs de houdbaarheid tot verkiezingsdag in 2021 was niet meer helemaal verzekerd.

Intussen is het kabinet in een geheel nieuwe fase van zijn bestaan terechtgekomen dankzij de uitbraak van het Covid 19-virus, die het kabinet heeft genoodzaakt tot snelle en diepingrijpende maatregelen. Nu wordt de crisisbestendigheid van kabinet en premier getest. In de eerste weken van de coronacrisis heeft het kabinet de indruk weten te wekken deze redelijk goed aan te kunnen en het hoofd koel te houden. Meer dan de Tweede Kamer, die haar opgefoktheid van recente jaren maar niet onder controle weet te krijgen.

Alleen de minister voor Medische Zorg, Bruno Bruins, moest de strijd opgeven door oververmoeidheid, misschien ook omdat zijn parlementaire behendigheid net niet groot genoeg was. Intussen is hij tijdelijk vervangen door een oude rot in het vak, de oud-staatssecretaris Martin van Rijn, afkomstig van de PvdA. Met terechte instemming van PvdA-leider Lodewijk Asscher is hij tot het kabinet toegetreden.

Dat laat dan weer de onafhankelijke werkwijze zien van de minister-president die er voor kiest te doen wat nodig is, zonder veel partijpolitieke bijgedachten. Zijn aanpak past nauwkeurig in de door Arend Lijphart meer dan een halve eeuw geleden beschreven ‘politieke spelregels’ in onze pacificatiedemocratie1. Daarbij gaat in cruciale kwesties ‘depolitisering’ voorop: vooral varen op het deskundigheidsmotief, rekruteren van vakkundige bewindslieden en het daarvoor opzijzetten van coalitie-oppositieverhoudingen. Eén ding is sinds augustus 2019 dus niet veranderd: Ruttes premierschap is ‘eigenlijk wel een geruststellende gedachte’2.

De vraag is natuurlijk: als de eerste schrik over is en de traagheid van de coronacrisis – sowieso een crisis in slow motion – haar werk gaat doen, blijven de coalitie en haar premier dan nog steeds overeind? Dat is vooral een vraag, omdat het virus wel in betekenis zal afnemen in de komende maanden, maar de economische gevolgen steeds meer zichtbaar zullen worden. Die zien er niet geruststellend uit, ondanks alle verwoede pogingen van het kabinet om die zo goed mogelijk op te vangen.

De verleiding is groot om naar vorige crises te kijken en de afloop daarvan te bestuderen, in de hoop daaruit lering te kunnen trekken. Daar is eerder behoorlijk studie naar verricht, onder andere in een bundel van het ministerie van BZK uit 20053. Helaas, de belangrijkste conclusie daaruit moet zijn dat op de consequenties op wat langere termijn geen peil valt te trekken.

Een paar voorbeelden ter illustratie.

Een van de best mogelijke vergelijkingen is die met de watersnoodramp van 1 februari 1953, die (grote) delen van Zeeland, Noord-Brabant en Zuid-Holland onder water zette, en dat binnen 24 uur. Het kostte aan 1835 inwoners het leven en het beroofde een veelvoud daarvan van have en goed. Daar moest op korte termijn op worden gereageerd ter opvang van de getroffen bewoners en er moest voor de langere termijn worden gepland hoe herstel van schade moest plaatsvinden en hoe de economische consequenties moesten worden opgevangen. In dit geval kwam er de verplichting bij herhaling effectief te voorkomen.

Het derde kabinet-Drees slaagde daar goed in. Drees zelf bleek een koele en beheerste crisismanager, ook door zijn collega van Financiën, Johan van de Kieft, voor voldongen feiten te plaatsen toen dat even moest en door scherp coördinerend op te treden. Hij sprak al op 3 februari de bevolking toe, niet via de toen nog ontbrekende tv maar via de radio, toen hèt medium voor dit soort ogenblikken. Verder drong hij zich in de publiciteit niet op, dat liet hij aan zijn collega’s over, ongeveer zoals Mark Rutte dat nu doet, door bij persconferenties vooral het woord te laten aan de vakministers. De economische gevolgen werden vrij snel opgevangen, ook al omdat niet de hele wereld door de ramp was getroffen. Binnen een paar jaar was er ten slotte het Deltaplan van minister Jacob Algera, dat de basis zou vormen voor behoud van droge voeten in de getroffen provincies. Al zou het nog vele jaren duren voordat het laatste gat – in de Oosterschelde – was gedicht, maar dat kon moeilijk anders.

Stel daar de bankencrisis tegenover die het vierde kabinet-Balkenende in 2008 en erna trof, met de eurocrisis als uitloper daarvan. Het redden van ABN-Amro en ING-bank leek op eerste oog vooral een redding van kapitaalbezitters, maar de ineenstorting van beide banken zou een ramp hebben aangericht onder alle burgers met een betaalrekening bij deze banken en grotere en kleine bedrijven met hun vermogensreserves. Niet toevallig glorieerden een paar weken lang de premier en de minister van Financiën, beiden leiders van hun respectieve partijen, CDA en PvdA. Het gloriëren duurde echter maar kort. De economische gevolgen op korte termijn konden nog wel worden opgevangen, al bleek daar de macht van de Europese Unie al groot geworden. Veel ernstiger was dat de toch al steeds gespannen verhoudingen tussen premier Jan-Peter Balkenende en minister Wouter Bos zo grondig verziekt raakten, dat het kabinet zijn daadkracht verloor en in februari 2010 zelfs van ellende uit elkaar viel.

Het kan met een zware crisis in de politiek dus alle kanten uit; de afloop op termijn is principieel onvoorspelbaar. Winst aan gezag en vertrouwen op korte termijn heeft dus ook geen voorspellende betekenis voor wat er op langere termijn gebeurt. Noch de premier, noch zijn collega’s weten hoe de afrekening er bij de eerstkomende verkiezingen uit zal zien. Dat heeft het voordeel dat zij er ook geen rekening mee hoeven te houden.

Of kabinet en premier echt geschiedenis gaan schrijven moet helemaal worden afgewacht. Drees is het gelukt, maar zijn historische betekenis stond al vast vóór de ramp van 1953 en er zijn bovendien premiers die door de geschiedenis aanzienlijk vriendelijker zijn behandeld dan door de tijdgenoten, zoals premier Piet de Jong die door de KVP in 1971 werd afgeserveerd, maar door de geschiedschrijving is gerehabiliteerd4. Te vrezen valt dat dit Jan-Peter Balkenende en Wouter Bos niet gauw zal overkomen.

Hoe Mark Rutte door de geschiedenis zal worden beoordeeld, geen mens die het zeggen kan. Het zal hem voorlopig een zware zorg zijn, ook al is hij historicus.

Prof.dr. J.Th.J. van den Berg is als fellow verbonden aan het Montesquieu Instituut. Hij is emeritus hoogleraar aan de Universiteit Leiden (parlementaire geschiedenis) en Maastricht (parlementair stelsel).

 

[1] Arend Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, Amsterdam: De Bussy, 1968, 120 – 138.

[2] Joop van den Berg, ‘Kabinetten verdwijnen, partijen vergaan, maar Rutte blijft eeuwig bestaan’, Hofvijver, maandag 26 augustus 2019.

[3] Remco Visschers, ‘Leider in nood? Een historisch onderzoek naar de positie van de Nederlandse minister-president in naoorlogse crisissituaties’, in: Henk te Velde e.a., Omtrent de minister-president. De positie van de minister-president vanuit historisch perspectief, Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2005, 71 – 114.

[4] Jan Willem Brouwer en Johan Merriënboer, P.J.S. de Jong. Een biografie. Van buitengaats naar Binnenhof, Amsterdam: Boom, 2011 (tweede herziene druk), i.h.b. 328 – 330.

1.

Deze bijdrage stond in