Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Persoonsgebonden kiesstelsel: meer na- dan voordelen

Coen Brummer en Daniël Boomsma bepleitten in hun bijdrage voor het MI een kiesstelsel waarin de band tussen kiezer en gekozenen sterker wordt. Op zich is versterking van die band een lovenswaardig streven. Vraag is echter of alle consequenties wel goed in ogenschouw zijn genomen.

Allereerst het probleem van de tussentijds vertrekkende Kamerleden. In het algemeen is het goed als in de Tweede Kamer ook ervaren leden zitten. Daarbij spelen partijen een rol. Zij moeten het reglementair mogelijk maken dat sommige leden - als zij dat willen - kans hebben op een langere parlementaire loopbaan. Nu zijn er partijen die een maximum stellen aan de zittingsduur. Snelle wisseling van generaties heeft anderzijds uiteraard ook te maken met de tegenwoordig optredende grotere fluctuaties in kiezersgedrag. Dat is een gegeven en juist dat maakt het koesteren van (enige) ervaring wenselijk.

Tussentijds vertrek van Kamerleden is bepaald geen nieuw verschijnsel. Het doet zich al vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw voor. Vaak zijn er incidentele redenen, zoals in 1979 het feit dat de leden van het EP voor het eerst rechtstreeks werden gekozen, toevallige persoonlijke omstandigheden of grotere alertheid op integriteit, zoals bij de VVD in de periode 2012-2017. In de huidige periode hadden toevallig veel politieke leiders (Roemer, Pechtold, Thieme) het idee dat het een goed moment was voor een wisseling.

Of de kiezers van GroenLinks er erg van onderste boven zijn dat eerst bijvoorbeeld Rik Grashoff en later Isabelle Diks vertrokken, is de vraag. Persoonlijke redenen kunnen vrij dwingend zijn en de eerste werd nadien gedeputeerde in Noord-Brabant en de tweede wethouder in Groningen. Ook dat is een GroenLinks-belang.

Het is waar dat kiezers via een voorkeurstem laten weten extra vertrouwen te hebben in een bepaalde persoon. Dat schept voor die gekozene zeker verplichtingen. Maar het betekent niet dat er geen omstandigheden kunnen zijn waarom iemand meent toch te mogen vertrekken. Verstoorde verhoudingen in de fractie bijvoorbeeld of teleurstelling over het eigen functioneren. Ook tijdens het districtenstelsel voor 1918 kwam tussentijds vertrek soms voor.

De partijkeuze is voor kiezers zeker leidend en daar is niks mis mee. Het partijprogramma biedt kiezers houvast. Het is weinig waarschijnlijk dat zij prijs stellen op Kamerleden die - op hoofdlijnen - afwijkende standpunten gaan innemen. En die kans wordt groter als Kamerleden ook over een eigen mandaat beschikken. Het is dan overigens van tweeën één: of gekozenen gaan onafhankelijker opereren, wat tot meer versplintering kan leiden, of dat effect treedt niet of nauwelijks op.

Bij het (democratisch) samenstellen van de lijsten kunnen partijen zorgen voor goede spreiding van kwaliteit, leeftijd, gender, regio's etc. Kiezers hebben meer aan een fractie met een goede fiscaal specialist of een goede man/vrouw-verdeling, dan aan een fractie met drie 'rechtstreeks' gekozen regioafgevaardigden.

Partijen kunnen bij het opstellen van de lijst al bedenken dat vertegenwoordiging van bepaalde regio's wenselijk is. De huidige bestaande regeling voor voorkeurstemmen (25 procent van de kiesdeler) biedt bovendien een prima mogelijkheid tot correctie op het lijstenstelsel. Verder gaan dan dat kan nieuwe problemen veroorzaken. En als iemand met bijvoorbeeld 10 procent van de kiesdeler wordt gekozen, is de veronderstelde sterkere band met de kiezers wel erg mager.

Het veelvuldig doorbreken van de zorgvuldig en democratisch tot stand gekomen lijstvolgorde kan juist tot meer versplintering en verlies aan kwaliteit leiden. Dat is geen bijdrage aan versterking van het parlement.