Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Is een democratisch en sociaal EU à la Rutte III haalbaar?

Eind november 2017 presenteerde het nieuwe kabinet-Rutte III zijn eerste Staat van de Europese Unie. In dat beleidsdocument legt het uit wat zijn Europese inzet zal zijn voor het komende jaar. Net als het regeerakkoord laat dit beleidsdocument zien dat het kabinet van VVD , CDA , D66 en ChristenUnie vooral een Europragmatische lijn volgt. Dat houdt in dat het kabinet nationale belangen nastreeft, waar nodig met meer Europese integratie en waar zinvol met minder Europese integratie.

Daarmee wijkt het nieuwe kabinet niet veel af van de koers van voorafgaande kabinetten, ook al heeft elk kabinet afhankelijk van de partijsamenstelling een eigen inkleuring gegeven aan de nationale belangen. Met zijn europragmatisme houdt het kabinet afstand van een eurofiele koers om van de EU een politieke federatie met onder meer een Europese regering en een Europees leger na te streven. De eurosceptische wens tot minder of geen EU, omarmt het kabinet echter evenmin. Door zijn europragmatische lijn kreeg het kabinet al snel het verwijt weinig duidelijkheid te scheppen over zijn visie op de toekomst van de Europese Unie, juist nu daarover EU-breed discussie over is. Niettemin zijn er al wel enige contouren van een kabinetsvisie daarop te ontwaren. De vraag is evenwel of dat haalbare punten zijn.

Stellig is het kabinet over de muntunie en een sociaal Europa. Kort door de bocht is daarbij de boodschap: dat mag Nederland niks kosten. Het is de vraag of het kabinet die lijn kan blijven vasthouden. Dat komt niet slechts omdat er in de EU de nodige burgers, partijen en regeringen zijn die internationale herverdeling buiten hun nationale gemeenschap accepteren. Solidariteit ontwikkelt zich niet alleen omdat er een bereidheid is om onderling te willen delen. De geschiedenis van solidariteit laat ook zien dat rijken en gezonden solidair zijn met armen en zieken wanneer ze er baat bij hebben.

Dat was ook weer te zien bij de Eurocrisis. De rijkere Eurolanden sprongen de Griekse regering niet slechts bij uit Europese genegenheid, maar ook uit eigen belang. Als ze Griekenland immers niet geholpen hadden, dan hadden hun banken met Griekse investeringen schade ondervonden. Bovendien zouden investeerders zich terugtrekken uit andere zwakkere Eurolanden, met nog grotere economische schade van dien voor de rijkere Eurolanden. Op zich is het logisch dat de Nederlandse regering terughoudend is met geld delen in de Europese Unie. Een regering behoort immers zuinig met het belastinggeld om te gaan. En in elk federatief verband is er strijd over verdeling van geld tussen rijkere en armere lidstaten. Nederland zal er echter rekening mee moeten houden dat solidariteit gevraagd is.

Het kabinet noemt in de Staat van de Europese Unie ook een punt dat nog niet aan de orde kwam in het regeerakkoord. Daarin meldde het vooral voortvarend aan de slag wil om een slagvaardiger EU te maken om de burger te beschermen. In de Staat van de Europese Unie onderstreept het echter ook het belang van een democratisch Europa. Het kabinet acht zelfs ‘[het] betrekken van de burger in de Europese besluitvorming acht het kabinet essentieel voor een daadkrachtig, verenigd en democratisch Europa’ (p.15). De vraag is of een democratischer EU wel haalbaar is.[1] Het kabinet gelooft er in ieder geval niet in dat dat nog via de weg van directe democratie kan. Het schaft immers het raadgevend referendum af, waardoor ook Europese verdragen niet meer referendabel zijn. Dat is opmerkelijk, omdat juist de twee referenda aanleiding waren voor de spaarzame publieke debatten over Europese integratie. En daar zegt het kabinet juist “veel waarde” (p.3) aan te hechten.

De versterking van het Europees Parlement komt evenmin in beeld bij het kabinet om de EU te democratiseren. Het is ook maar de vraag of daarmee de Europese verbondenheid van burgers is te vergroten. Wie kent de Europese partijen of (kandidaat-)Europarlementariërs nu? Dan zijn nationale partijen en nationale ministers herkenbaarder voor burgers om hun stem in de EU te vertolken. Wellicht om die reden ziet het kabinet meer heil in grotere betrokkenheid van nationale parlementen bij Europese besluitvorming.

Nu doet de Tweede Kamer zijn best, maar het blijft lastig om effectief te interveniëren in de Europese besluitvorming. De eigen minister kan worden overstemd in de Raad van de EU. Daarnaast moet hij in korte tijd steun verwerven van de nodige parlementen om een gele of oranje kaart te trekken tegen Europese voorstellen die niet op Europees niveau zouden moeten worden aangepakt. Bovendien kan de Europese Commissie zo’n kaart naast zich neerleggen. Daarom is wel geopperd in de Tweede Kamer om een rode kaart in te voeren om zo voorstellen daadwerkelijk te blokkeren. Dat klinkt fijn democratisch, maar het lastige is echter dat daarmee nog meer spelers een beslissende stem krijgen in Europese besluitvorming. Daardoor is nog lastiger voor burgers om effectief controle op die besluitvorming uit te oefenen. Bovendien is met nog meer spelers nog minder duidelijk voor burgers wie waarvoor verantwoordelijkheid draagt in de Europese besluitvorming.

Meer zeggenschap voor parlementen kan zeker goed zijn voor controle op de uitvoerende macht, en met de Europese Centrale Bank en de Eurogroep kent de EU wel een paar beperkt gecontroleerde organen – dat democratisering echter tot grotere betrokkenheid in en met de EU zou leiden, is echter te betwijfelen. Zouden burgers dat betreuren? Er zijn aanwijzingen dat burgers hun oordeel over de responsiviteit hun vertegenwoordigers en bestuurders eerder laten afhangen van het voordeel dat ze van de EU denken te hebben. In die zin zou de inzet van het kabinet op een slagvaardiger EU er toe kunnen bijdragen dat het draagvlak onder burgers wordt versterkt. Als echter de plannen voor een meer solidair Europa doorgaan, dan zal dat voor Nederlanders niet echt als een voordeel worden beschouwd. En dan zal er voor Nederland weinig op zitten dan wat al vaker zo kenmerkend is geweest voor het Europese integratieproces: lidstaten accepteren de EU niet omdat die zo geweldig is, maar bij gebrek aan beter. En dan blijft er niet veel anders op dan daarin maar het beste van te maken.

Hans Vollaard is universitair docent Nederlandse en EU-politiek aan de Universiteit Utrecht. Binnenkort verschijnen van zijn hand:

· Vollaard, H. (2018). 'European disintegration: A search for explanations.' Basingstoke: PalgraveMacMillan.

· Harryvan, A., Krause, A., Vollaard, H. en Wielinga, F. (red.) (2018). 'Europa zur Diskussion: Deutschland und die Niederlande über die Europäische Integration seit 1990.' Münster: Waxmann Verlag


[1] Zie daarvoor ook mijn bijdrage ‘De splijtende kracht van democratie’, in P. de Jong en S. de Lange (2012), Europa, burgerschap en democratie. Den Haag: Raad voor het Openbaar Bestuur. 133-145.