Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Gronings gas als politiek onderzoek

Enquête betekent gewoon 'onderzoek'. In dit geval een speciaal soort. Sinds 1848 staat al in de Grondwet dat de Tweede Kamer het recht heeft om onderzoek te doen (nu art.70), al vorm gegeven in de Enquetewet 1851. Deze gaf aan de Kamer twee belangrijke bevoegdheden. Als zij burgers wil horen, en deze komen niet, dan kunnen ze worden gedwongen. En - ook van de rechter afgekeken - die burgers kunnen onder ede worden gehoord. Dat zijn ingrijpende bevoegdheden. Een politiek lichaam moet daarmee terughoudend omgaan. Daarom staat het in de Grondwet.

Waarom toen al van belang? Omdat in die tijd de overheid een beperkte taak en een klein apparaat had. En dus niet uit eigen kennis de Kamer kon informeren over wat er in de maatschappij zoal speelde. Art. 68, de inlichtingenplicht van de regering, haalde daarvoor dus weinig uit. Ook waren er weinig kranten of andere publicaties waaruit men kennis kon putten. Wilde de Kamer dus wetgeving voorstellen om kwesties te regelen, dan kon zij zelf niks nalopen. Zo wilde de Kamer rond 1870 meer weten over de toestand van de koopvaardijvloot, en over de heersende besmettelijke longziekte onder het rundvee. De enige enquête met belangrijke gevolgen was die in 1886: over de veiligheid en gezondheid van arbeiders in fabrieken. Deze enquête leidde tot ingrijpende sociale wetgeving.

Na 1886 viel het stil. De regering was zelf actiever geworden, verstrekte ook inlichtingen. Maatschappelijke bewegingen droegen bij de Kamer spontaan informatie aan. En de publieke opinie was actiever geworden. Het houden van een enquête werd partijpolitiek gevoelig. Er kwamen nog drie vergeefse pogingen (1908, 1909 en 1937). Tot na 1945, toen de Oorlogsenquête werd gehouden naar het beleid van de parlementloze periode van de regering in Londense ballingschap, 1940-45. Een uitzonderlijk moment.

Pas in de woelige jaren zestig ontstond een nieuwe behoefte om te toetsen wat er in de samenleving omging. De net opgerichte Politieke Partij Radikalen, waar ik bij betrokken was, overtuigde de groep-Aarden (uitgetreden KVP-Kamerleden, sympathiserend met de PPR) om in 1968 een voorstel te doen voor een enquête naar concentratie van economische macht door fusies. Aanleiding was een toespraak van de voorzitter van het Nederlands Katholieke Vakverbond, Jan Mertens, die stelde dat in ons bedrijfsleven weinigen de dienst uitmaakten ("De twee honderd van Mertens"). Het voorstel werd verworpen, mede omdat men vond dat de Enquêtewet 1851 onvoldoende rechtswaarborgen schiep voor de ondervraagden. Zelf lid geworden van de Kamer (1972-1975, PPR-fractie) nam ik het initiatief tot wijziging van de wet. Die wet is in 1977 inderdaad ingrijpend gemoderniseerd.

Wie meer wil weten kan op verschillende plekken terecht. Hier gaat het mij over een specifieke vraag: waarvoor kan de enquête dienen - waartoe wijselijk besloten is - over de gasboringen in Groningen? Ik heb het historische verhaal nodig om te laten zien waarvoor enquêtes oorspronkelijk bedoeld waren. Niet om regeringsbeleid onder de loep te nemen, maar om betrouwbare informatie te krijgen over het verloop van wezenlijke maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen. Aldus verkregen inzicht kan gebruikt worden bij nieuw beleid, en bij afwikkeling van gevoerd beleid.

Welnu, dat is wat in Groningen aan de hand is. Er rijzen immers vragen over het ontstaan van de gaswinning in Groningen. Over de kennis die toen voorhanden was over gevolgen. Over het overlaten van de winning aan de NAM, en het tempo van die winning. Over de schade voor Groningers door bodemdaling. Over de traagheid van besluitvorming toen eenmaal gevolgen voelbaar werden.

In onze polariserende wereld wil men vooral een afrekening. Een afrekening met alle politici en uitvoerders die mee verantwoordelijk droegen sinds de gasvondst in Slochteren. Dit nadat we er eerst vijftig jaar blij mee zijn geweest, arm als we waren in 1959. Veel belangrijker is echter om greep te krijgen op hoe zulke grote processen bestuurlijk en sociaal in de hand kunnen worden gehouden. Dat was toen niet eenvoudig, ze moesten kijken naar onzekere, toekomstige ontwikkelingen. Krijgen we na zestig jaar inzicht hoe dat is gegaan, dan zal blijken hoe complex zulke zaken zijn, dat we steeds weer moeten leren, en dat alleen maar zoeken naar schuldigen zinloos is. Ook voor de Groningers belangrijk.

Voordeel van een enquête als middel is dat iedereen die betrokken was moet opdraven en vertellen. Dat het gebeurt in alle openbaarheid, zodat we - ook de Groningers - zien of alles wel de nodige aandacht krijgt. En dat de politiek er van leert. De oude Cicero zei het: salus populi suprema lex, de veiligheid van het volk is de hoogste wet.

Erik Jurgens is rechtsgeleerde en was voorheen actief als Tweede Kamerlid en Eerste Kamerlid.