Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De spagaat van Macron: Hoe de Republiek worstelt met het ideaal van een Franse Islam en het bestrijden van islamisme

dinsdag 8 december 2020, 12:20, analyse van dr. Niek Pas

Frankrijk is een ‘République laïque’ aldus het eerste artikel van de grondwet. De overheid garandeert vrijheid van geweten, ‘liberté de conscience’: de Franse burger mag geloven of, net zo belangrijk, niet geloven. Daarnaast is er het neutraliteitsprincipe: kerk en staat zijn gescheiden. Religie is een privéaangelegenheid. Dit principe van laïcité maakt vrijheid en gelijkheid mogelijk.

De wet op de laïcité

Ziehier enkele belangrijke pijlers van de wet op de laïcité. Deze dateert uit 1905 en is het sluitstuk van een lange strijd die Republikeinen en Rome sinds de Revolutie voerden. Vanaf 1789 werden congregaties verboden, kerken gesloten en kloosters gesloopt. Toen de revolutionaire woelingen waren geluwd sloot de nieuwe machthebber, Napoleon Bonaparte, in 1801 een bestand met de Paus: het Concordaat. Hierin werd bepaald dat de katholieke kerk, onder voorwaarden, terug mocht keren. Dit bestand heeft verschillende regimes (keizerrijken, koninkrijken en een Republiek) overleefd. Met de vestiging van de Derde Republiek in 1870 ontvlamde de kwestie opnieuw. De strijd spitste zich toe op (lager) onderwijs dat vanaf 1881 gratis en verplicht werd. Leraren, ‘hussards noirs’, fungeerden als republikeinse stoottroepen tegen de machtige congregaties. Uiteindelijk kwam het in 1905 tot een oplossing, vastgelegd in de hierboven genoemde wet. Dit beknopte historische overzicht maakt duidelijk dat de laïcité deel uitmaakt van het Franse DNA.

Uitzonderingen

Maar er is veeleer sprake van een maatschappelijk ordeningsprincipe dan een in beton gegoten Republikeinse ideologie. Zo zijn er uitzonderingen: de bepalingen gelden niet in Elzas-Lotharingen. In 1905 heerste de Duitse keizer over deze provincies. Toen ze na de Eerste Wereldoorlog terugkeerden in de moederschoot van de Republiek is dit niet aangepast. Tot op heden is in Straatsburg het Concordaat van kracht. In de praktijk betekent de laïcité dat de overheid uitoefening van religie waarborgt en tot op zekere hoogte ook faciliteert door voorwaarden te creëren die de bouw van gebedshuizen mogelijk maken. Rechtstreekse financiering is wettelijk verboden maar erfpachtconstructies en sponsoring via aan gebedsruimtes gelieerde cultuurcentra zijn mogelijk. Verder mogen ambtenaren niet met keppeltjes, kruisjes of hoofddoekjes op het werk rondlopen.

Evenmin zijn ostentatieve religieuze uitingen gewenst in het Openbaar Onderwijs. Dit laatste is geregeld in een aparte wet uit 2004. Deze ‘loi Stasi’ is ingevoerd als antwoord op diverse incidenten rond hoofddoekjes. Een fenomeen uit de laatste jaren van de 20e eeuw dat in verband staat met de snelle groei van de moslimpopulatie (ondermeer door gezinshereniging) en toegenomen religiositeit in islamitische kringen. Tot de jaren tachtig was het hoofddoekje - ‘foulard’ - voor zover überhaupt gedragen door schoolplichtige moslima’s, geen issue. Uitwijkmogelijkheden zijn er vrijwel niet; Islamitisch Lager en Middelbaar Onderwijs is in Frankrijk nauwelijks ontwikkeld en omvat hooguit enkele tientallen scholen. Dit aantal steekt schril af tegen het overige confessionele onderwijs, de tienduizenden katholieke en honderden joodse scholen. De Stasiwet fungeert overigens prima. Wel is het aantal jonge kinderen met een islamitische achtergrond dat thuisonderwijs krijgt, gestegen.

Universalistisch maatschappijmodel

Naast het neutraliteitsprincipe beschouwt het Franse maatschappijmodel zichzelf als universalistisch. Dit staat in schril contrast tot het multiculturele samenlevingsprincipe. De Franse overheid maakt ten principale geen onderscheid tussen zwart of blank, katholiek of moslim. Identiteit is niet verbonden aan cultuur, religie of ras maar gekoppeld aan ‘citoyenneté’ oftewel burgerschap. Voor de staat zijn alle Fransen ‘citoyens’. En die Franse staat is ‘Une et Indivisible’, Een en Ondeelbaar. Integreren op zijn Frans betekent dan ook in de eerste plaats assimileren. Migranten dienen zich zo snel mogelijk aan te passen en te ontplooien als modelburgers. De taal spreken volstaat niet, het gaat erom Frans te denken, te dromen en natuurlijk het allerliefst te zijn. ‘Communautarisme’ is in Frankrijk een scheldwoord. Dergelijke geïdealiseerde uitgangspunten en abstracties die, theoretisch geformuleerd prachtig klinken, hebben het steeds zwaarder te verduren in een tijdvak dat zich kenmerkt door mondialisering en marktwerking, migratiestromen en metadata. Het Republikeinse model staat onder druk. Ook in immigratieland Frankrijk leven minderheden in eigen kring, is er sprake van geografische segregatie (cités, voorsteden) en discriminatie. Hierbij speelt een complexe cocktail van zowel sociaal-economische omstandigheden als religie en ethniciteit een rol. De maatschappelijke realiteit is die van een multiculturele en steeds diversere samenleving. De snelle groei van de Islam in Frankrijk, binnen één generatie uitgegroeid tot de tweede godsdienst, stelt de overheid voor grote uitdagingen.

Moslims in Frankrijk

Cijfers variëren maar naar schatting wonen en werken in Frankrijk 5 à 6 miljoen moslims. Daarmee herbergt de ‘hexagone’ de grootste moslimpopulatie van de Europese Unie. Pas relatief laat, na 1989, is de overheid actiever werk gaan maken van immigratiebeleid. Onder wijlen president François Mitterrand vormden moslims een kleine minderheid, circa 1 miljoen personen, en werd lange tijd verondersteld dat de Republikeinse instituties ook deze groep zouden kneden tot modelburgers. Vanaf de jaren negentig zijn diverse pogingen ondernomen om te komen tot een ‘Islam de France’. Tot op heden is die Franse Islam vooral een wensdroom gebleken. Naast de aanvankelijk lakse houding van de overheid is een andere belangrijke reden dat die moslimgemeenschap te divers is om grip op te krijgen en bijvoorbeeld onder één koepel te plaatsen - zoals het geval is voor overige godsdiensten. Verschillen zijn religieus en ook cultureel, geografisch en linguïstisch van Voor-Azië tot Sub-Sahara Afrika via de Maghreb. En er speelt nog een ander aspect mee: een Franse Islam is niet in het belang van Rabat, Algiers en Ankara. Op de achtergrond proberen leiders als Erdogan via hun diaspora geopolitiek te bedrijven. Iets dergelijks geldt ook voor stromingen uit het Midden-Oosten zoals salafisme en Moslimbroederschap. Studies wijzen erop dat circa de helft van de Franse moslimpopulatie inmiddels goed is geïntegreerd en/of geassimileerd. Ongeveer een kwart is vatbaar voor radicaal gedachtengoed en 25% leeft eigenlijk en in toenemende mate in een parallelle wereld. Zo verwerpen orthodox-radicale stromingen het idee van scheiding kerk en staat. Voor een staatsbestel gebaseerd op universalisme en laïcité is dit een groot probleem.

Bovendien wordt Frankrijk sinds de jaren negentig geteisterd door islamitisch geïnspireerd en gemotiveerd geweld. Middenjaren negentig pleegde de Algerijnse GIA bomaanslagen. In 2015-2016 zaaiden Franse geradicaliseerde moslims, aangestuurd vanuit het Kalifaat in Syrië/Irak, dood en verderf. De recentste golf betreft drie aanvallen te Parijs, Conflans en Nice. Ze zijn uitgevoerd in de context van het proces tegen de aanslagplegers op de redactie van Charlie Hebdo en de Joodse supermarkt in januari 2015 en de herpublicatie van Mohamedcartoons door Charlie Hebdo. In tegenstelling tot de terreurgolf van 2015-2016 zijn de aanslagplegers ditmaal migranten van Pakistaanse, Russisch-Tjetjeense en Tunesische komaf. Ze richten zich op individuele burgers: journalisten, een leraar en kerkgangers. Kleinschalig, gruwelijk uitgevoerd geweld met een maximale mediatieke en maatschappelijke impact.

Een Franse islam

Energieker dan zijn voorgangers wil de huidige president, Emmanuel Macron, werk maken van een Franse Islam en tevens de problematiek van islamitisch geïnspireerde terreur aanpakken. Daartoe neemt hij zijn toevlucht tot een beproefd Frans recept: wetgeving. Het wetsvoorstel getiteld ‘séparatisme’ verwijst naar het ideaal van die Ene en Ondeelbare Republiek en bevat diverse elementen. Het wetsvoorstel bevat zowel repressieve als constructieve elementen. In de eerste plaats beoogt de nieuwe wet de ‘idéologie islamiste’ te bestrijden door buitenlandse financieringsstromen van moskeeën en religieuze groepen transparanter te maken en/of af te knijpen. Daarnaast de jaarlijkse instroom van honderden imams uit Turkije en Noord-Afrika een halt toeroepen door de realisatie van Franse imamopleidingen en certificeringen. Ook moet er een einde komen aan het thuisonderwijs - op tienduizenden moslimkinderen heeft de Republiek momenteel nauwelijks grip. Daarnaast maakt het wetsvoorstel meer middelen vrij voor opbouwwerk en scholingsprogramma’s in de wijken. Verder beoogt hij wetgeving om radicaliseringsgif dat zich tegenwoordig razendsnel verbreid via social media tegen te gaan. Tenslotte, in Europees verband, streeft Macron naar een herziening van het Schengenverdrag teneinde meer grip te krijgen op immigratiestromen.

Diverse aspecten van deze voorgestelde maatregelen zijn omstreden en leiden tot een gepolariseerd debat in het binnenland en felle reacties in het buitenland. Naar aanleiding van de herpublicatie van de omstreden Mohamedcartoons kondigden diverse Arabische landen een boycot af van Franse producten. In Pakistan gingen woedende menigten de straat op. En de New York Times trok de racisme- en islamofobiekaart. Dit laatste is een sterk staaltje ‘Blaming the victim’ waar president Macron overigens direct op reageerde door, heel ongebruikelijk, de betreffende redactie te bellen. Ook in een - even ongebruikelijk - interview met televisiezender Al Yazeera benadrukte de president de specifiek Franse politiek-maatschappelijke uitgangspunten. Het verwijt van islamofobie verwierp hij verre van zich. De laïcité maakt religieuze coëxistentie juist mogelijk. En naast het streven naar een Franse Islam moet dat specifieke probleem dat islamisme heet worden bestreden.

Macrons reactie op het groeiende buitenlandse onbegrip zijn eveneens te beschouwen als oefeningen in pedagogie: het klassieke Republikeinse model en dito waarden zoals Une et Indivisible, assimilatie, laïcité, burgerschap nog maar eens toelichten. Binnenlands is het debat inmiddels verregaand gepolariseerd en, met in het achterhoofd de presidentsverkiezingen van 2022, ook volop politiek geïnstrumentaliseerd. Voor het Rassemblement National van Marine Le Pen gaan ze niet ver genoeg terwijl radicaal links moord en brand roept. Politici, intellectuelen en commentatoren buitelen over elkaar heen in de media waarbij verwensingen als ‘islamofobie’ en ‘islamo-gauchisme’ in het rondvliegen. Dit laatste begrip staat voor de omarming van de Islam als religie van verdrukten; migranten worden beschouwd als het nieuwe revolutionaire proletariaat dat de hegemonie van het blanke kapitalistische patriarchaat moet breken.

De spagaat van Macron

Temidden van dit emotionele tumult worden ook scherpzinnige vragen gesteld. Zo is er discussie over de vraag of de nieuwe wetsvoorstellen wel nodig zijn - is het bestaande legislatieve kader niet afdoende? Feit is dat relatief complexe dossiers zoals buitenlandse financiering en scholing, gevoegd bij nieuwe maatschappelijke fenomene zoals de rol van social media in de radicalisering van jonge moslims, aanvullende maatregelen vereisen. Wettelijk maar ook maatschappelijk. Want naast deze klassieke legislatieve reflex en de ronkend afgekondigde maatregelen van bovenaf is er in Frankrijk ook behoefte aan maatwerk van onderaf: in de wijken, op de scholen, in samenspraak met islamitische organisaties en het maatschappelijke veld in al zijn geledingen. Dergelijke vormen van pragmatisme zijn vanouds de achilleshiel juist door die formalistische, staatsgerichte, idealistische benadering. Ziehier de spagaat waar Macron, bekend vanwege zijn ‘en même temps’ (én én) benadering, zich in bevindt.

 

Dr. Niek Pas is als Universitair Docent Nieuwste Geschiedenis verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.