Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Burgers kweken: Arie Slob, artikel 23 en de pedagogische staat

maandag 30 november 2020, 13:00, dr. Wim De Jong

Er was lang naar uitgekeken binnen het onderwijsveld: de bespreking van de Wet versterking burgerschapsonderwijs van minister Slob in de Tweede Kamer. Met deze wet wil hij het burgerschapsonderwijs van meer richting voorzien. Al sinds 2006 moeten scholen hier formeel iets mee doen, maar Nederland loopt achter met het concreet maken hiervan. Onder andere vanwege internationaal onderzoek, dat aantoont dat Nederlandse jongeren weinig politieke kennis hebben.

De noodzaak die Slob voelt lijkt daarnaast met name ingegeven door de gespannen situaties op sommige scholen in het gesprek tussen jongeren met een verschillende etnische achtergrond. Als hij in de Memorie van Toelichting spreekt over jongeren die een wel erg kritische houding innemen ten opzichte van de Nederlandse samenleving, doelt hij waarschijnlijk op pijnlijke gesprekken met islamitische jongeren die de holocaust ontkennen, of begrip tonen voor de recente onthoofding van de Franse leraar Samuel Paty vanwege het tonen van cartoons in de klas. Ook in Nederland leidde dat tot veel ophef vanwege de onderduiking van een leraar van het Rotterdamse Emmaus College vanwege bedreigingen aan zijn adres op social media.

Slobs inmiddels episch te noemen strijd met het islamitische Van Haga Lyceum, na een rapport van de AIVD over salafistische invloeden binnen deze school, is wat dit betreft inzichtelijk. Hij verloor aan aantal rechtszaken, omdat de directeur van het Van Haga, Atasoy, zich zeer bewust was van de rechten die een bijzondere school heeft op grond van artikel 23 van de grondwet, en de daaruit voortvloeiende onderwijswetgeving en jurisprudentie. Een voor een sneuvelden de argumenten van Slob- het rapport van de AIVD bleek kwestieus, de bestuurlijke malversaties bleken lastig aantoonbaar, waardoor Slob uiteindelijk bij één argument uitkwam als sterkste argument: het burgerschapsonderwijs.

Het was een vrij problematisch argument, omdat Slobs Wet Versterking Burgerschapsonderwijs nu juist een reactie is op het feit dat aan heel veel scholen het burgerschapsonderwijs niet op orde is. Het ging er echter ook dat dit onderwijs leerlingen op zou zetten tegen de Nederlandse samenleving. Dit alles laat zien dat de Wet zeker wel een wending is in de omgang met de vrijheid van onderwijs zoals die lange tijd is uitgelegd. De overheid trad niet in de wijze waarop levensbeschouwelijke kwesties in scholen worden benaderd: van godsdienst, tot burgerschap, tot de bespreking van de evolutietheorie bij het vak biologie. Door nu het Van Haga hierop aan te vallen, en in de Wet bepaalde inhoudelijke elementen op te nemen waar het burgerschapsonderwijs aan moet voldoen, steekt de minister de Rubicon over naar een overheid die een curriculum vast gaat stellen, waar scholen aan moeten voldoen.

Het is wel ironisch dat juist een minister van de Christenunie, afkomstig uit het protestants-christelijk onderwijs, hiertoe overgaat. Bovendien verdedigt hij op andere momenten deze vrijheid principieel, bijvoorbeeld tegen de gemeente Westland, die weigerde de stichting van een islamitische basisschool toe te staan. Ook in het gewraakte debat, dat waarschijnlijk tot zijn verbazing bijna niet meer over zijn wet ging, maar zich ontpopte als een debat over artikel 23, naar aanleiding van de getuigenissen van homoseksuele jongeren in reformatorische kring en de verontwaardiging van Kamerleden over de identiteitsverklaringen die ouders van sommige reformatorische scholen vragen aan ouders. De dag erna kwam Slob terug op zijn standpunt dat dit nu eenmaal is hoe het werktoverigens zonder duidelijk te maken wat hij aan deze identiteitsverklaringen wil gaan doen.

De Nederlandse grondwet kent geen hiërarchie tussen de artikelen. Conflicten daartussen sluimeren vaak en flakkeren dan om de zoveel tijd op. In de heftige discussie in politiek en media over artikel 23, werd dit artikel scherp tegenover artikel 1 geplaatst. Dat heeft onder andere te maken met de status die homoseksualiteit inmiddels heeft in onze samenleving. In 1983 werden conservatieve opvattingen over homoseksualiteit werden nog niet algemeen als inbreuk op het nieuwe artikel gezien. Zinvoller dan aansturen op een tijdrovende grondwetswijziging, lijkt het om specifieke procedures te voeren over zaken als identiteitsverklaringen. Rechterlijke uitspraken kunnen uitwijzen of er echt wetswijzigingen nodig zijn.

In democratieën bestaat er altijd een spanning tussen centraal gezag, het collectief dat normen oplegt die universeel gelden, en het pluralisme van verschillende gemeenschappen. De balans daarin wordt bijgesteld op dit moment in de richting van het collectief, vanuit de gedachte dat de overheid een gedeelde democratische cultuur wil waarborgen. Er zijn ook minder weerstanden tegen zo’n ‘pedagogische staat’ dan vroeger, die sinds 1917 op gezette tijden paal en perk aan de vrijheid van onderwijs, zonder deze af te schaffen. De motie om een acceptatieplicht in te voeren, onlangs aangenomen door de Tweede Kamer, kan wellicht helpen om de subculturen open te breken.

Toch doet de overheid er goed aan om de kant van het pluralisme ook goed in de gaten te houden; het is niet zo dat een liberaal begrip van de staatsburger probleemloos kan worden opgelegd aan iedereen. Het is een open vraag of leerlingen niet juist ook door een specifieke identiteit- christelijk, moslim, joods, maar ook antroposofisch- een nuttige bijdrage als burger kunnen leveren aan de samenleving als geheel. Juist wanneer er zorgen zijn over de vraag of religieuze groeperingen volledig deel zijn van de ‘overlappende consensus’, is het slim om niet al te bruusk in hun rechten te gaan kappen, bijvoorbeeld door de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs af te schaffen. Juist het subsidiëren van bijzonder onderwijs, gekoppeld aan controle door de staat, heeft er gaandeweg de 20e eeuw voor gezorgd dat dit langzaam de loopbrug heeft opgehaald en minder subcultureel is geworden.

 

Wim de Jong is educatief medewerker bij het Democratisch Laboratorium en de Radboud Universiteit Nijmegen. Zijn proefschrift 'Civic Education and contested democracy: towards a pedagogic state in the Netherlands post 1945' is verkrijgbaar bij Palgrave via deze link.

1.

Deze bijdrage stond in