Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Voorbij links-rechts: een nieuwe scheidslijn in economisch beleid

maandag 27 november 2017, Katrijn Siderius

“Hoge winst, laag loon. Nieuwe machtsorde zichtbaar in regeerakkoord” kopte NRC op 13 okotber 2017 na de publicatie van het regeerakkoord. De krant gaat in op de nieuwe plannen van Rutte III en noemt de verlaging van de winstbelasting “een staaltje werkgevers- en VVD-macht”. Dit links-rechtsperspectief is typerend voor de manier waarop er naar het regeerakkoord en in het algemeen de Nederlandse politiek wordt gekeken. Het dominante beeld is dat economisch beleid wordt bepaald door een strijd van werkgevers tegenover werknemers, die uiteindelijk al polderend tot consensus komen.

In werkelijkheid, echter, zijn het lang niet altijd linkse partijen die opkomen voor de belangen van de werknemer. Afgelopen zomer nog, braken zowel Klaas Knot, directeur van De Nederlandsche Bank en Hans de Boer (VNO-NCW) een lans voor hogere lonen. Als masterstudent met een bovengemiddelde interesse in politieke economie roept dit bij mij gelijk de vraag op: is het links-rechtsperspectief nog wel de meest relevante scheidslijn in de Nederlandse (economische) politiek? Dit ben ik met hulp van gegevens van PDC empirisch gaan onderzoeken.

Even niet denken in links-rechts dus, maar wat dan wel? Onlangs werd er een interessant alternatief gepresenteerd voor het links-rechtsperspectief. De politieke economen Lucio Baccaro en Jonas Pontusson van de Universiteit van Geneve hebben de theorie van het ‘groeimodel’ ontwikkeld. Het idee is dat in de huidige wereld landen op twee manieren economische groei kunnen bereiken. Ten eerste door een model gebaseerd op consumptie; door burgers meer en meer te laten besteden. Lonen moeten hiervoor steeds groeien. Dit model wordt ondersteund door economische sectoren die winst maken op basis van binnenlandse consumptie, zoals supermarkten en kappers.

En ten tweede met een exportmodel; met een hoog concurrentievermogen als land zoveel mogelijk exporteren. Hierbij horen juist lage lonen en lage (winst)belastingen. Van dit model profiteren logischerwijze de economische sectors gericht op export, zoals landbouw. Als de regering maatregelen neemt om het ene groeimodel te ondersteunen, gaat dat ten koste van het andere groeimodel. Volgens Baccaro en Pontusson lobbyen de verschillende sectoren bij de regering voor maatregelen die hun groeimodel ondersteunen. Zo ontstaan er twee ‘groeimodelcoalities’, bestaande uit politici, werkgevers én werknemers van exportsector enerzijds en de consumptiesector anderzijds.

Interessante nieuwe theorie, hoor ik u denken, maar snijdt dit ook hout in de praktijk? Kunnen we de groeimodelcoalities ook in de Nederlandse politiek ontdekken?

Hiervoor heb ik de connecties tussen politici en organisaties uit verschillende sectoren in de economie onderzocht. Helaas zijn de afspraken tussen Tweede Kamerleden en ondernemingen niet openbaar. De nevenactiviteiten van Eerste Kamerleden daarentegen zijn wél beschikbaar. PDC heeft een overzicht gemaakt van alle nevenfuncties van Eerste Kamerleden in de periode 1977 tot 1980. Deze nevenactiviteiten vormden de indicator van verbindingen tussen politiek en economie.

Ik heb daarbij de flinke aanname gedaan dat als senatoren een bijbaantje hebben in een bepaalde sector, dat ze die sector ook een warm hart toedragen. Met behulp van netwerkanalyse heb ik vervolgens gekeken naar hoe senatoren en sectoren geclusterd zijn sinds de jaren ‘90. Naar aanleiding van de resultaten kan ik twee belangrijke conclusies trekken.

Terwijl het in de jaren ’90 nog uitmaakte of een senator links of rechts was voor de bijbaantjes die hij of zij had, is er geen verschil meer te vinden vanaf 2000.

Ten tweede geldt dat over de hele periode de verzameling bijbaantjes van een senator minder vaak ‘gemixt’ zijn en ze vaker overwegend bijbaantjes hebben in óf de export- óf de consumptiesector.

Hoewel voorzichtig met deze conclusies om gegaan moet worden – er liggen immers flink wat aannames aan ten grondslag, ik heb slechts de belangrijkste genoemd – wijzen beide op een bevestiging van de theorie van Baccaro en Pontusson: niet links tegen rechts is de belangrijkste strijd, maar de tweedeling tussen economische groei gericht op consumptie of export.

Reden om de conclusie van NRC over het regeerakkoord in twijfel te trekken: de nieuwe plannen voor de verlaging van de winstbelasting zijn waarschijnlijk niet een staaltje werkgevers- en VVD-macht, maar eerder een staaltje exportsectormacht!

 

Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van gegevens uit het biografisch archief van PDC, partner van het Montesquieu Instituut.

1.

Deze bijdrage stond in