Je kunt niet zonder…

maandag 23 februari 2026, 13:00, Jan Schinkelshoek en Prof.Dr. Gerrit Voerman

Hoe gaat het met de Nederlandse politieke partijen? Bij de start van het kabinet onder aanvoering van Rob Jetten gaan Jan Schinkelshoek en Gerrit Voerman stap voor stap de partijen langs. Het belooft een grote vlootschouw te worden. Hun vertrekpunt: je kunt niet zonder…

Tour langs politieke partijen (1)

Als ze niet bestonden, zouden ze moeten worden uitgevonden. Politieke partijen zijn nodig om de politiek gaande te houden: een staatsbestel op democratische basis is niet wel denkbaar zonder vitale, goed functionerende partijen. Nog steeds niet.

Toegegeven: het is een boud vertrekpunt voor een zoektocht langs het Nederlandse partijwezen. Maar het kortstondige, mistroostige avontuur met het kabinet onder leiding van de – partijloze – premier Dick Schoof is misschien wel het beste bewijs voor die stelling.

Het was een kabinet bestaande uit vier partijen waarvan er slechts eentje een gevestigde, zelfs doorgewinterde partij mocht heten: de VVD. De andere drie, PVV, NSC en BBB, zijn/waren gemankeerde, onvolgroeide partijen, partijen die zich op z’n best nog moesten bewijzen. Het bestond uit ministers en staatssecretarissen die voor een belangrijk, zelfs gezichtsbepalend deel, laten we zeggen, onervaren waren. Het werd geleid door een premier die geen wortels had in een politieke partij. En het had een regeringsprogramma dat meer een ruwe optelsom van loshangende en zelfs tegenstrijdige wensen en belangen was, geen uitwogen beleidsprogramma. Binnen het kabinet had men ook zelf kennelijk geen idee waar men aan begonnen was, wat men wilde en hoe het kon worden gerealiseerd. Waarschijnlijk – nieuwe boude stelling – heeft het ontbreken van een stevige partijpolitieke basis bijgedragen aan het voortijdig inzakken van die constructie.

Nog steeds – zo’n 150 jaar na de opkomst van politieke partijen in Nederland – is een partij nodig. Nog steeds geldt ook in Nederland dat wat de Amerikaanse politicoloog Schattschneider in 1942 schreef: ‘The political parties created democracy and modern democracy is unthinkable save in terms of the parties.’

Je kunt niet zonder – om minstens drie redenen:

  • 1. 
    Om opvattingen, sentimenten en belangen, als schakel tussen samenleving en staat, te vertolken, heb je zoiets als een politieke partij nodig, een verzameling mensen die zich aaneensluiten om die meningen om te zetten in beleid.
  • 2. 
    Er moeten mensen worden geselecteerd, gerekruteerd en opgeleid om steun voor ideeën te mobiliseren, om die om te smeden tot een programma en vervolgens in praktijk te brengen – hetzij in de oppositie of in de regering.
  • 3. 
    Dat vergt vakmanschap, iets waarvoor partijen politieke leerscholen kunnen zijn.

Je hebt, anders gezegd, politieke partijen nodig om te representeren, te opponeren en te regeren. Je hebt ze nodig om effectief beleid te kunnen voeren. Je moet weten wat je wilt, je moeten weten wat mogelijk is, je moet de krachten en competentie in huis hebben om het te kunnen uitvoeren. Dat vergt organisatie, politieke organisatie.

Voor een democratie zonder politieke partijen bestaat geen reëel alternatief. Ja, op papier. In de jaren’30 werd gepleit voor een corporatistische staatsvorm, waarin (georganiseerde) belangengroepen het voor het zeggen hebben. Maar er zijn er maar weinigen die vandaag de dag voor zo’n experiment voelen. Je laat de publieke zaak niet kapen door verzamelde belangenbehartigers. De partijendemocratie – dat is waarmee we het moeten doen. Het heeft geen vaste vorm, Misschien kan het wordt verbeterd, via meer directe vormen van democratie, zoals een referendum. Maar dat is een ander verhaal. De kern – parlementaire zeggenschap via politieke partijen – staat niet ter discussie. Er is niks beters.

Sommigen dromen van onafhankelijke, zelfbewuste, zelfs ‘soevereine’ volksvertegenwoordigers met een eigen mandaat, iets waarmee de parlementaire democratie in de negentiende eeuw begonnen is. In theorie klinkt dat aardig, maar in de praktijk blijkt dat een te hoog gegrepen ideaal. In Nederland zie je vanaf 1850 onafhankelijke Kamerleden steeds meer samenklonteren tot ‘Kamerclubs’ van liberale, conservatieve, katholieke of antirevolutionaire richting. En die Kamerleden laten zich maar al te graag steunen door buitenparlementaire organisaties, kiesverenigingen, om steun onder kiezers te mobiliseren. Het is dan nog maar een kleine stap naar aaneensluiting van die verenigingen tot een landelijke politieke partij – met een programma, met kandidatenlijsten, in de ene partij steeds meer dan in de andere geregisseerd vanuit een centraal bureau.

Jarenlang hebben partijen het politieke toneel gedomineerd. Zeker vanaf 1918, toen na de afschaffing van de districtsgewijze verkiezing van de Tweede Kamer landelijk georganiseerde verkiezingen werden ingevoerd. In combinatie met de verzuiling – de organisatie van bevolkingsgroepen in min of meer vaste verbanden – konden zo de grote volkspartijen tot ver na de oorlog de toon zetten. Nog in 1989 bezetten de grote drie, PvdA, CDA en VVD, gezamenlijk 125 van de 150 parlementszetels.

Vanaf de jaren ’90 is er in hoog tempo de klad in gekomen. Bij de verkiezingen van vorig jaar haalden diezelfde partijen niet meer dan 60 zetels – en dan is GroenLinks ook nog eens bij de PvdA geteld. Kiezers blijken minder ‘partijtrouw’. Een partij kan bij verkiezingen enorm schommelen. Vraag het de PvdA (2017), vraag het het CDA (2023), of NSC (2025). De winnaar van vandaag is de verliezer van morgen. En andersom.

Politieke partijen zijn niet meer wat ze geweest zijn: bolwerken van gevestigde ideeën, belangen en levensbeschouwingen, gedragen door een soms compleet volksdeel. Minder dan voorheen kan men rekenen op een roestvast kader, geworteld in de partij, er bij wijze van spreken mee opgegroeid. Op het hoogtepunt van de verzuiling wisten de gevestigde partijen welk vlees ze in de kuip hadden. Daarvan is tegenwoordig minder sprake, wat partijen kwetsbaar maakt voor incidenten, zoals D66 overkomen is met nieuwkomer-uit-het-niets Nathalie van Berkel. Het is ook te zien bij het toenemend aantal afsplitsing van fracties in de Tweede en zelfs in de Eerste Kamer. Het dwingt tot een scherpere selectie van het ‘politieke personeel’, iets wat nog steeds onnatuurlijk aanvoelt.

Over de oorzaken van die teloorgang van het klassieke partijwezen – individualisering, secularisering, deconfessionalisering, in combinatie met de opkomst van het populisme – zijn boekenkasten vol geschreven. Maar minstens zo belangrijk is het effect van die volatiliteit op partijen zelf: de bijna verlammende onzekerheid. Aan de top van alle partijen is men zich sterk bewust van de vele dreigingen. Men weet zich permanent in een onveilige omgeving te opereren.

Regeren is helemaal een riskante business geworden. Bij D66 weten ze het: regeren is halveren; bij NSC weten ze: regeren is creperen. Soms kun je in de luwte van de oppositie een beetje opkalefateren, zoals het CDA na 2023 onder Bontenbal heeft laten zien. Maar garanties op terugkeer naar de glorieuze tijden van Lubbers zijn er voor de christendemocraten niet. Het regeringsavontuur kan, eerder dan verwacht, maar zo onder de guillotine eindigen.

Die verlammende onzekerheden trekken hun sporen. Meer dan ooit proberen politieke partijen greep te krijgen op alles om hen heen. Boodschappen worden standaard geframed – ‘verkocht’ met behulp van spindoctors en allerlei marketingtechnieken. Een mediatraining is vast onderdeel van het repertoire, minstens zo belangrijk als een wetgevingscursus. De campagne is nog niet afgesloten, of de nieuwe start al. Kamerfracties worden gedisciplineerd. De fractiediscipline wordt, soms aangestuurd vanuit afdelingen voorlichting, zo aangesnoerd dat bijna niemand het aandurft buiten de pot te pissen – op straffe van uitsluiting. Alles is er zo op ingericht dat de partij naar buiten komt met een eenduidig, stevig verhaal.

Je moet wel. Die geforceerde maskerade van onzekerheid wordt ook ‘afgedwongen’ door media. Veel meer dan vroeger (voor 1970) zijn kranten, radio en televisie zich onafhankelijker gaan opstellen. Sterker nog: men stelt er een professionele eer in het ‘de politiek’ zo lastig mogelijk te maken. In de wandelgangen regeert wantrouwen tussen wat ooit parlement en pers heette, zoals een paar jaar geleden nog eens is vastgesteld. Sociale media – ongebondener dan ooit – doen de rest. Die massieve mediadruk dwingt (ook) een politieke partij zich eendrachtig op te stellen – soms tot op het krampachtige af.

Meer dan ooit op zichzelf teruggeworpen, staan in en rond het Binnenhof de partijen voor een nieuwe krachtproef. Met het aantreden van het kabinet-Jetten start het experiment van het minderheidskabinet. Dat is bijzonder voor Nederland. Al meer dan een eeuw is het land geregeerd door meer of minder stabiele coalities. Die werden vaak zo stevig in elkaar gezet tijdens langdurige en soms moeizame kabinetsformaties dat het bon ton werd te klagen over dichtgespijkerde regeerakkoorden. De regeringscombinatie-van-de-dag bepaalde de gang van zaken, de rest van de Kamer zat er min of meer voor spek en bonen bij.

Dat beeld gaat kantelen. Het was – om preciezer te zijn – al aan het kantelen. Vanaf 2010 hebben de kabinetten onder leiding van Rutte moeten leren omgaan met een minderheidspositie in de Eerste Kamer. Ze hebben geitenpaadjes moeten zien te vinden om te overleven. Maar onder Jetten wordt het een serieuze opgave. Zijn coalitie van D66, VVD en CDA kan ook in de Tweede Kamer niet op een vaste meerderheid rekenen. Dat is een weloverwogen keus geweest. Maar omdat het kabinet structureel zo’n tien stemmen te kort komt, zal zo’n beetje over alles onderhandeld moeten worden. De regeringsperiode belooft zo een lange kabinetsformatie te worden.

Hoe gaan partijen met die nieuwe verhoudingen om? Een regeringspartij zal zich niet meer onaandoenlijk, laat staan arrogant kunnen opstellen. En vanuit de oppositie kun je niet bij alles moord en brand schreeuwen. Dat vraagt om een andere politieke cultuur.

Achter dat nieuwe tasten en zoeken gaan enkele lastige vragen schuil, vragen die te maken hebben met het profiel van de politieke partijen. Hoe redelijk wil je zijn? Hoeveel water doe je als regeringspartij bij de wijn? Laat je je als speelpop gebruiken? En wil je als officiële oppositiepartij zo meegaand zijn dat je ook een kabinet overeind houdt dat op sommige punten geheel tegen je opvattingen ingaat? Geldt dat ook als je zelf in de peilingen op winst staat?

De politieke partijen moeten op zoek naar nieuwe rollen – en dat in een toestand die onzekerder, bedreigender en zelfs riskanter is. Het wordt tijd om ze het komende jaar een voor een langs te lopen: van links naar rechts.

Den Haag/Groningen

februari 2026

Jan Schinkelshoek, oud – lid van de Tweede Kamer (CDA), was hoofdredacteur van de Haagsche Courant en campagneleider van Ruud Lubbers in de jaren ’80. Gerrit Voerman, emeritus hoogleraar Nederlandse politiek aan de Rijksuniversiteit Groningen, was directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen. Samen starten zij een tour langs alle politieke partijen. Maandelijks doen ze verslag in De Hofvijver.